In de VS, Mexico en Canada strijden 48 landen in juni en juli op het wereldkampioenschap voetbal. Voetbal is oorlog zoals iedereen weet, dus ook in de Militaire Spectator halen auteurs met enige regelmaat voetbal aan om hun punt te maken. Direct als het om sport gaat, of indirect als vergelijking met de militaire praktijk.
Zo verscheen begin twintigste eeuw een jubelende boekbespreking van een werk over ‘gereglementeerde openluchtspelen’, waaronder voetbal. ‘Nu meer en meer in het leger de groote, opvoedende kracht van het openluchtspel wordt begrepen en in bijna alle garnizoenen spelvereenigingen zijn opgericht’ zal dit boek ‘voor velen een welkome gids zijn.’[1] In de burgermaatschappij was het boek al met veel lof ontvangen, en de recensent wil daaraan toevoegen ‘dat ook menig recrutenofficier daarin veel zal vinden, wat hem te pas komt bij de opleiding van zijne manschappen.’ De recensent hoopt op grote impact van het boek: ‘Moge dit werkje ook in het leger de waardeering vinden (…) en de kennismaking ten gevolge hebben, dat de kinderspelen: “Drie is te veel”, “Kat -en muis” e.d. voor goed uit het leger verbannen worden, om plaats te maken voor echt mannenspel.’
Tien jaar later, in 1916, is voetbal kennelijk onderdeel geworden van lichamelijke oefening in het leger, met positieve gevolgen die de fysieke gezondheid overstijgen. Zo staat in een artikel over het vormen van tirailleurslinies: ‘De soldaten hebben bij voetbal-, korfbal- en ander spel geleerd, wat samenwerking beteekent. Het geleerde past hij uit eigen beweging toe. Hij behoeft niet bevreesd te zijn, als hij niet op zijn juiste nummer of niet gericht staat. Hij is vrijer in zijne bewegingen, zelfstandiger. Hij laat zijn verstand werken, eerst met eenige inspanning, later zonder inspanning omdat er een soort coördinatievermogen ontstaan is door de vele oefeningen.’[2] Men zou er bijna een rechte lijn in zien van een potje voetbal naar mission command.

Voetbalwedstrijd tussen personeel en vliegers in Soesterberg, 1915. Foto Beeldbank NIMH
De door onder andere voetbal aangeleerde samenwerking is niet alleen praktisch, ze draagt ook bij aan de korpsgeest, getuige een verhandeling uit 1923 over de infanterieopleiding: ‘Voetbal- en andere wedstrijden tusschen groepen of sectiën leiden tot plichtgetrouwheid ten opzichte van het onderdeel en een gevoel van fierheid om er deel van uit te maken. Den man moet worden geleerd voor het geheel op te komen en niet voor zichzelf, en te beseffen dat het belang van de groep grooter is dan dat van de personen waaruit zij is samengesteld.’[3]
Kortom: voetbal en andere teamsporten hebben gunstige effecten op de militair. Maar er klinkt soms ook kritiek, zoals in het artikel ‘De geleide velddienstoefening’ uit 1960: ‘Een voetbal door de troep meegenomen naar schietbaan of velddienstterrein, kenmerkt in ongunstige zin het onderdeel, waarin de man immers uit ervaring weet, dat zijn commandant en instructeurs de hun toegemeten tijd niet efficiënt zullen gebruiken. De instructeur beseft daarbij vaak niet, dat in feite deze voetbal het symbool is van de speelbal, die hij van zijn troep dreigt te worden.’[4] Troepen zich laten vermaken met lukrake activiteiten is gevaarlijk: ‘Train doelmatig en vermijd alles, wat zweemt naar bezighouderij. Dit laatste wordt door de troep onmiddellijk als zodanig aangevoeld en is fnuikend voor het gezag.’ Voetbal an sich is misschien niet het probleem, maar wel de timing van zulke frivole activiteiten.
Wellicht door de opkomst van het Nederlandse totaalvoetbal en het Europese succes van Feyenoord en Ajax bedient een auteur zich in 1977 van een voetbalmetafoor om ‘Ken uw tegenstander’ als universeel principe van succesvolle oorlogvoering duidelijk te maken. ‘De toepassing van deze maxime kan men dagelijks ervaren: in het bedrijfsleven waar concurrenten elkaars beleid analyseren, op het voetbalveld waar bijvoorbeeld de trainers van buitenlandse voetbalploegen naar Nederland komen om zich op de hoogte te stellen van de tactiek en techniek van de Nederlandse clubs die in de Europacupwedstrijden meedingen, enzovoort.’[5] ‘Ken uw tegenstander’ moest volgens deze auteur beter toegepast worden door de (Sovjet-Russische) tegenstander niet door de eigen westerse bril te bezien, maar in zijn huid te kruipen om zijn motieven, denkwijze en capaciteiten te doorgronden.
In ‘Machiavelli en de politiek-militaire arena’ uit 1995 pleitten de auteurs voor een rol voor militairen in de politieke arena om de belangen van de krijgsmacht te behartigen, waarbij echter een aantal valkuilen op de loer ligt. Militairen zijn volgens deze schrijvers achterdochtig jegens de politiek, vooral doordat ze de regels van het politieke spel niet goed kennen. ‘De vergelijking met de sport dringt zich hierbij op. Voetbal en rugby hebben in bepaalde opzichten overeenkomsten. De spelregels wijken echter wezenlijk van elkaar af. Er ontstaat dus verwarring als je een rugbywedstrijd beoordeelt op basis van de voetbalspelregels. Een écht probleem ontstaat, indien iemand tijdens een voetbalwedstrijd de rugbyspelregels meent te moeten toepassen.’[6]
De Engelse voetballer Gary Lineker stelde: ‘Voetbal is een simpel spel: 22 spelers jagen 90 minuten op een bal, en aan het eind wint Duitsland altijd.’ In de Militaire Spectator is geen bewijs te vinden voor deze stelling, of die nu gaat over voetbal of over oorlog.
[1] A. Versluys, ‘Boekaankondiging’, Militaire Spectator 75 (1906) (7) 583-584.
[2] ‘Over Sectiën, Groepen en Verspreiden’, Militaire Spectator 85 (1916) 365-377.
[3] H.G. Ontrop, ‘Iets over de “Aanwijzingen bij de opleiding der Infanterie.”’, Militaire Spectator 92 (1923) (1) 32-42.
[4] E.H. Neppelenbroek, ‘De geleide velddienstoefening’, Militaire Spectator 129 (1960) (7) 250-289.
[5] M.W.A. Weers, ‘Sovjetgedachten over de oorlogvoering’, Militaire Spectator 146 (1977) (2) 53-54.
[6] J.F.W. van Angeren en drs. A.J. Vinke, ‘Machiavelli en de politiek-militaire arena’, Militaire Spectator 164 (1995) (12) 562-566.