Logica volgens Donald Trump: hoe meer oorlog je voert, hoe meer wapens je overhoudt. Hij zei het echt: ‘We have more weapons and ammunition at a much higher grade than we had before’.[1] Sterker nog, Trump beweerde dat tijdens de Iran-oorlog de munitievoorraad van de VS zich ‘meer dan verdubbeld’ had.[2] Helaas voor de VS wordt die bewering van de president niet door feiten gestaafd. Het tegenovergestelde lijkt waar.
De zorgen over de Amerikaanse munitievoorraden zijn de afgelopen weken juist sterk toegenomen. Volgens denktank CSIS, die de voorraden berekende, laten vooral de cijfers voor Amerikaanse luchtafweerraketten zien hoe snel een moderne lucht- en raketoorlog voorraden kan uitputten. In 39 dagen Iran-oorlog zouden de VS naar schatting 130-250 SM-3’s hebben verschoten op een vooroorlogse voorraad van circa 410 stuks, 190-370 SM-6’s op een voorraad van 1.160, 190-290 THAAD-interceptors op slechts 360, en 1.060-1.430 Patriot-raketten op een geschatte voorraad van 2.330. Vooral THAAD en Patriot springen eruit: bij THAAD gaat het om mogelijk meer dan de helft tot zelfs ruim driekwart van de beschikbare interceptors, terwijl ook Patriot in het gunstigte geval richting zestig procent van de voorraad gaat. CSIS benadrukt dat deze wapens duur, schaars en moeilijk vervangbaar zijn. THAAD kost volgens de auteurs circa 15,5 miljoen dollar per interceptor, SM-3 zelfs 28,7 miljoen dollar, en de levertijden lopen op tot 42 maanden voor Patriot, 53 maanden voor THAAD en SM-6, en 64 maanden voor SM-3.[3]
Voor de huidige oorlog lijkt Washington nog niet door zijn voorraden heen, maar de campagne heeft wel blootgelegd hoe kwetsbaar zelfs de grootste militaire macht is wanneer moderne oorlogvoering in korte tijd duizenden hoogwaardige munitietypen verbruikt. Voor Europa valt daaruit nog een aanvullende les te trekken. Het wringt dat de VS als wapenexporteur van cruciale luchtafweersystemen — zeker ook voor Oekraïne, maar ook Taiwan — de wereldwijde voorraad van die middelen doelbewust heeft aangesproken ten bate van een oorlog met volkomen onheldere doelstellingen.
Het benadrukt nog maar eens de noodzaak van meer strategische autonomie en minder afhankelijkheid van één wapenleverancier met een rommelige strategische agenda (en dan druk ik mij nog positief uit). Dit alles hebben we als Nederland eerder meegemaakt. Het is in zekere zin een deja vu. In de tweede helft van de jaren dertig zocht het Nederlandse ministerie van Defensie koortsachtig naar wapenbedrijven om, ondanks onze formele neutraliteit, in versneld tempo de krijgsmacht gereed te maken voor de gevaarlijker wereld die op ons afkwam. Daarbij plaatste Nederland een groot aantal orders bij fabrieken in omringende landen, waaronder Duitsland en Oostenrijk.
Een veelzeggend voorbeeld is de geplande aanschaf van moderne artilleriesystemen halverwege de jaren dertig. De Nederlandse landmacht was al vanaf 1936 bezig met de aanschaf van moderne 10,5cm-houwitsers. In oktober 1937 werden proeven gelast met drie systemen: het Duitse Krupp, het Zweedse Bofors en het Franse Schneider. Na ruim een jaar testen sprak de selectiecommissie in december 1938 voorlopig haar voorkeur uit voor Bofors; Schneider kwam er als slechtste uit. Toch duurde het nog tot augustus 1939 voordat Nederland daadwerkelijk een contract sloot — en dan niet met Bofors, maar alsnog met het Krupp.[4]
Nederland bestelde dus vlak voor de oorlog een cruciaal artilleriesysteem bij een bedrijf uit de staat die enkele maanden later Nederland zou aanvallen. Krupp zou vanaf eind 1940 gaan leveren; in oktober 1939 kreeg Nederland alvast twintig houwitsers in bruikleen voor trainingsdoeleinden. Maar begin 1940 meldde Krupp ineens dat levering niet meer mogelijk was door gebrek aan koper, nikkel en chroom. Krupp stelde zelfs voor dat Nederland deze grondstoffen zelf beschikbaar zou stellen. In maart 1940, slechts enkele maanden voor de Duitse invasie, kwam alsnog een Duitse toezegging: vanaf 11 april 1941 zouden maandelijks acht houwitsers worden geleverd.[5]
Dergelijke oplopende levertijden waren voor Nederland onacceptabel. Maar door in zee te gaan met nazi-Duitsland, en daar cruciale artillerie in te kopen, had Den Haag zichzelf afhankelijk gemaakt van een leverancier die zijn eigen strategische prioriteiten boven contractuele afspraken met Nederland stelde. Bijsturen kon nauwelijks meer. Het gevolg was dat Nederland op 10 mei 1940 niet beschikte over de moderne 10,5cm-houwitsers waarop het had gerekend, en daarom moest terugvallen op bestaande vuurmonden. Dat is de reden waarom de Nederlandse landmacht uit arren moede honderd stukken 8-Staal van stal haalde om toch maar iets van vuursteun te hebben tegen de oprukkende Duitsers. Dit ouderwetse en vaak roestige kanon uit 1880, zonder schild en zonder modern terugloopsysteem, werd opnieuw in gebruik genomen. Het was echter al in 1927 uit de dienst afgevoerd.
De les van 1940 is dus niet dat Nederland geen wapens bestelde. De les is dat Nederland te laat ontdekte dat bestelde wapens nog geen militaire capaciteit zijn zolang een ander, niet al te betrouwbaar land de productielijn, de vergunning, de munitievoorraad en de politieke prioriteit beheerst. Naarmate de oorlog dichterbij kwam, veranderden contracten in beloften, beloften in vertragingen en vertragingen uiteindelijk in uiteindelijke helemaal niets. Hitler liet leveringen aan Nederland bewust rekken, niet door openlijk te weigeren, maar door te verwijzen naar de eigen militaire behoefte. Dat is de harde strategische les: wie zijn defensie afhankelijk maakt van andermans voorraden, andermans vergunningen en andermans politieke prioriteiten, bezit geen militaire capaciteit, maar een lege huls.
[1] Maya Yang, ‘Trump threatens to blow Iran ‘off the face of the earth’ if it attacks US vessels’, The Guardian, 4-5 mei 2026. laatst gewijzigd 5 mei 2026.
[2] Fernando Alba, ‘Donald Trump Wildly Claims US Has ‘Doubled’ Its Weaponry since Outbreak of Iran War’, The Mirror, 1 mei 2026.
[3] Mark F. Cancian en Chris H. Park, ‘Last Rounds? Status of Key Munitions at the Iran War Ceasefire’, Center for Strategic and International Studies, 21 april 2026.
[4] Tobias van Gent, Het falen van de Nederlandse gewapende neutraliteit, september 1939-mei 1940 (Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, 2009) 246-248.
[5] Idem, 246.