Tactische onderbouwing is geen luxe voor de lagere commandant, maar essentieel voor het winnen van het gevecht. Het is de theoretische basis waarmee zij methodes uit doctrine kunnen aanpassen aan de situatie en creatief kunnen optreden in lijn met het mission command. Toch lijkt dit voorbehouden aan hogere commandanten. In het themanummer van de Militaire Spectator over ‘sterker, slimmer, kunnen vechten’ (juni 2025) benadrukte luitenant-kolonel Marnix Felius terecht het belang van vechten met tactisch vernuft, in lijn met het ‘slimmer vechten’ uit de command message van de Commandant der Landstrijdkrachten.[1] Maar Felius stelt ook dat dit vernuft op groeps- en pelotonsniveau wel ‘relevant’ is, maar ‘echte’ tactiek pas op bataljonsniveau begint.[2] In deze reactie betoog ik dat dit geen recht doet aan de rol van de lagere commandant: tactische onderbouwing is onmisbaar voor de commandant van de groep en het peloton.

Tactisch en technisch niveau

Om wat te kunnen zeggen over tactiek zal ik eerst het concept tactiek definiëren. Daarvoor wend ik mij tot B.A. Friedman. Hij is een militair-wetenschappelijk denker en officier bij het U.S. Marine Corps. Hij onderstreept in zijn werk het belang van tactisch inzicht voor de lagere commandanten. Ik gebruik de definitie van B.A. Friedman: ‘Tactics is the arrangement of forces in such a manner to defeat the enemy’.[3] Daarbij benadrukt hij ook dat tactiek zich niet in een vacuüm afspeelt en dat tactiek contextueel is. De werking van tactiek kan in militaire theorie worden beschreven. Denk bijvoorbeeld aan de tactische inzichten van Sun Tzu. Dit heeft Friedman ook gedaan. Hij definieerde daarbij bekende tactische principes zoals verrassing, misleiding, concentratie of tempo. Deze theorie is geen harde wetenschap, maar eerder een houvast waarmee men kan nadenken over tactiek. Dit sluit aan bij Felius’ notie van tactiek, zo komen de tactische principes van Friedman ook voorbij in Felius’ artikel. Felius noemt het ‘slim’ toepassen van deze principes het ‘vechten met tactisch vernuft’, waarbij hij het belang van creativiteit en flexibiliteit benadrukt. Hiermee kan de commandant zelfs het gevecht van een numeriek sterkere tegenstander winnen.

Desalniettemin is deze tactiek niet voor elke commandant even essentieel, aldus Felius. Felius gebruikt de defensiedoctrine over de niveaus van oorlogvoering om tactiek weg te houden bij de lagere commandanten. Om dit te begrijpen licht ik ook deze definities toe. Binnen de Nederlandse Defensie Doctrine kan tactiek ook verklaard worden vanuit het begrip ‘tactisch niveau’ en daarbij horend het technische, operationele en strategische niveau.[4] Waarbij het strategische niveau zowel het militair-strategische als het militair-politieke niveau omvat. Deze niveaus en de relaties ertussen zijn complex. Om het overzichtelijk te houden, focus ik hier op het technische en tactische niveau:

  • Het tactische niveau draait om het voorbereiden en uitvoeren van operaties en activiteiten die bijdragen aan het behalen van operationele doelstellingen;
  • Het technische niveau betreft het bedienen van systemen en uitrustingsstukken, evenals het uitvoeren van vaardigheden en oefeningen — de kern van tactische activiteiten.[5]

Felius stelt dat het technische niveau vooral belangrijk is voor lagere commandanten en schrijft hierover: ‘toch blijft het technische niveau (groep, peloton) vooral gericht op het uitvoeren van technieken’ en ‘echte tactiek komt pas op bataljonsniveau’.[6]

Hieruit concludeer ik dat Felius tactiek voorbehoudt aan het bataljonsniveau en hoger. Daarnaast maakt hij geen duidelijk onderscheid tussen tactiek beschreven in zijn artikel en het tactisch niveau afstammend van de defensiedoctrine. Hij verbindt de hogere commandoniveaus met het tactisch niveau, waarbij het tactisch niveau ook nog eens niet te onderscheiden is van tactiek zelf. In deze visie zijn de groep en het peloton beperkt in hun handelen tot het technisch niveau en moeten ze zich klaarblijkelijk niet bezighouden met ‘echte tactiek’. Niet onbelangrijk is dat deze verbinding haaks staat op de defensiedoctrine, die juist expliciet stelt dat militaire niveaus niet strikt gebonden zijn aan commando- of organisatieniveaus.[7]

Hoewel tactiek en het tactische niveau lastig te onderscheiden zijn, gaat tactiek over hoe te denken in het gevecht (‘door A en B verspreid op te stellen kan ik de vijand omtrekken’) en het tactische niveau gaat over het organiseren van deze activiteiten (‘hoe plan en stuur ik eenheid A en eenheid B om op die verspreide posities te komen’). Het tactische niveau draait om het uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan het behalen van operationele doelstellingen. Bedenken welke activiteiten effectief bijdragen aan het behalen van de doelstellingen doet men door na te denken over de theorie gebaseerd op tactiek: ‘Op welke manier moet ik mijn middelen inzetten om de vijand te verslaan of mijn opdracht te behalen?’ ‘Kan ik de vijandelijke positie overnemen door gebruik te maken van misleiding of moet ik een omtrekkende beweging maken?’

Tactiek en context

Elke commandant denkt bij elke actie die hij of zij ontplooit na over hoe hij zijn middelen zal inzetten. Hierbij maakt het niet uit of het om een huis, bosperceel, wijk, brug, stad of zelfs land gaat. In de gedachten van de commandant is de manier waarop zijn of haar middelen ingezet worden bepalend voor zijn of haar succes. De commandant is dus niet alleen bezig met het plannen en uitvoeren van zijn activiteiten, maar wil dit ook op de ‘juiste’ manier doen. De commandant denkt dus bewust of onbewust na over tactiek, over hoe deze juiste manier van inzet eruit kan zien. Aangezien dit voor elke commandant geldt, kun je op basis hiervan concluderen dat tactiek dus ook voor elk commandoniveau belangrijk is. Felius zou tegenwerpen dat de commandant van de groep of het peloton moet handelen op basis van de skills en drills die hen worden aangeleerd. Ze zouden zich vooral bezighouden met het uitvoeren van technieken (het technische niveau). Deze technieken zijn vastgelegd in doctrines. Daarin staat bijvoorbeeld hoe een aanval, verdediging of een verplaatsing moet worden uitgevoerd; dit biedt het broodnodige houvast waar een commandant dankbaar voor zal zijn in de ongrijpbare chaos die het gevecht kan zijn. Maar het is niet zo dat deze technieken los van de context kunnen worden uitgevoerd. Er wordt altijd verwacht dat de commandant kijkt naar de context om zich heen. Als de lagere commandant met zijn eenheid als een soort automaat technieken zou uitvoeren, waarom besteden we dan toch veel tijd aan zoiets als commandovoering? Hierbij moet een analyse gemaakt worden van de eigen middelen, de vijand en de context waarbinnen je de opdracht gaat uitvoeren voordat je komt tot de manier waarop je deze opdracht gaat uitvoeren. Het is vanzelfsprekend dat we verwachten van de commandant dat hij reageert op omstandigheden waarmee hij geconfronteerd wordt. Ook – of misschien wel juist – als deze omstandigheden niet van tevoren vastgelegd waren in doctrine. Een commandant kan dus nooit uitsluitend handelen op basis van vooraf vastgelegde technieken, in tegenstelling tot wat Felius lijkt te beweren.

De commandant zal altijd de context aan zijn manier van optreden moeten verbinden. Dit betekent niet dat technieken onbelangrijk zijn. Handelen op basis van tactiek en handelen op basis van technieken spreken elkaar niet tegen. Sterker nog, ze kunnen elkaar versterken.

De aangeleerde technieken bieden handvatten voor methodes van optreden. Tactiek zorgt dat de technieken aangepast worden op de context van de opdracht. Hierom concludeer ik dat tactiek essentieel is voor de lagere commandant. Bovendien wordt binnen NAVO-legers mission command toegepast, ook bekend als auftragstaktik.[8] Hierbij ligt de nadruk op het delegeren van de ‘hoe’-vraag aan de lagere commandant, die binnen de gestelde doelen zelf opereert. Deze opdrachtgerichte commandovoering vormt de basis van de manoeuvrist approach.[9] Centraal staat hierin het benutten van zwakke plekken van de vijand en het vermijden van directe, kostbare confrontaties. Het is daarbij essentieel dat ook de lagere commandant zijn methodes aanpast op de context waarin hij is beland. Om deze adaptieve manier van vechten mogelijk te maken kan de lagere commandant niet steevast terugvallen op plannen of de tactische inzichten van hogerhand. De lagere commandant heeft de context het best voor ogen en maar kort de tijd om het momentum te grijpen. Ook vanuit dit perspectief wordt het belang van handelen met ‘tactisch vernuft’ duidelijk voor de lagere commandant.  

Figuur 1

Expliciet tactisch denken

Voorafgaand doe ik de aanname dat tactiek eigenlijk al wordt toegepast door iedere commandant (in ieder geval een commandant die rekening houdt met de context van de opdracht). Hierdoor kan het lijken alsof er geen aandacht aan tactiek hoeft te worden besteed, omdat het al een vanzelfsprekend onderdeel is van het denken van een commandant. Ik denk dat er juist een kans ligt door theorie over tactiek expliciet te maken. Hiermee zal de commandant effectiever worden in het behalen van zijn opdracht en kunnen compenseren voor missende ervaring.

Door ervaringen uit opleidingen, oefeningen en missies krijgt de lagere commandant die geen les heeft gehad in tactische principes toch ‘gevoel voor tactiek’. Zo leert hij of zij door ervaringen dat verassing een voordeel kan opleveren, het juist inzetten van het groepswapen er voor kan zorgen dat de vijand in een vuurpositie in dekking gaat (concentratie van vuurkracht) of het gebruik van een schijnaanval kan zorgen voor wenselijke vijandelijke verplaatsingen (misleiding).

Deze ervaring opdoen is een tijdrovend proces en lagere commandanten komen vaak met weinig ervaring al voor een eenheid te staan. Militaire theorie over tactiek biedt hierin een uitkomst. Door dit mee te geven wordt er een gemeenschappelijk denken over tactiek gecreëerd. Hiermee kunnen beslissingen expliciet gebaseerd worden op deze principes. Daarnaast kunnen ervaringen opgehangen worden aan dit raamwerk, waardoor deze beter vertaald kunnen worden naar lessen voor de toekomst. Dit was ook de motivatie van Friedman om zijn boek On Tactics te schrijven. Door theorie over tactiek te filteren uit duizenden jaren krijgsgeschiedenis kunnen beginnende commandanten gebruik maken van deze kennis wanneer ervaring ontbreekt.[10]

Hoe dit tactisch onderwijs eruit zou moeten zien, laat ik over aan anderen. Hopelijk geeft deze reactie een aanzet tot een nieuwe kijk op het belang van tactiek voor iedereen, inclusief de lager commandant.

Conclusie

Concluderend kunnen we stellen dat tactiek niet enkel voorbehouden is aan hogere commandanten. We zouden er goed aan doen om ook de lagere commandant te verrijken met theorie over tactiek. We kunnen ons niet voorbereiden op elke bedreiging, maar door het onderwijzen van het tactische systeem bieden we houvast. De commandant kan zo de context verbinden met aangeleerde technieken door tactiek. Dit is de sleutel tot het slimmer vechten van Felius en stelt ons in staat om ook numeriek grotere of technologisch gelijkwaardige tegenstanders te verslaan. Daarom is investeren in tactisch onderwijs voor de lagere commandant essentieel om ook in de toekomst slagkrachtig en adaptief te blijven. Geheel in lijn met het ‘slimmer vechten’ uit de command message.

--------------------------------

Antwoord op Meningen van anderen

 

Luitenant-kolonel Marnix Felius

Met belangstelling heb ik het artikel van Thomas Roddenhof gelezen. Ik dank hem voor zijn scherpe en inhoudelijke reactie op ‘Slimmer vechten’ en waardeer in het bijzonder de zorgvuldigheid waarmee hij het belang van tactiek voor lagere manoeuvrecommandanten uiteenzet. In essentie zijn wij het meer met elkaar eens dan een enkele formulering in mijn oorspronkelijke artikel wellicht suggereerde.

Roddenhof heeft gelijk wanneer hij stelt dat tactiek en tactisch vernuft essentieel zijn voor iedere manoeuvrecommandant. Ook de groeps- en pelotonscommandant staan voortdurend voor de vraag hoe beschikbare middelen zó worden ingezet dat zij bijdragen aan het verslaan van de vijand en het behalen van de opdracht. In die zin is tactisch denken onlosmakelijk verbonden met commandovoering op elk tactisch niveau.

Mijn opmerking dat ‘echte tactiek pas op bataljonsniveau begint’ is, terugkijkend, te absoluut geformuleerd voor wat ik beoogde te zeggen. Die formulering was niet bedoeld om het belang van tactiek op lagere niveaus te ontkennen, maar om te duiden dat de ruimte voor tactische variatie in de praktijk vaak beperkter is. Op groeps- en pelotonsniveau zijn tijd, middelen en freedom of movement and action doorgaans schaars, en ligt de nadruk begrijpelijkerwijs sterk op het effectief uitvoeren van beproefde technieken, zonder daar rigide in te zijn. Daarbij komt dat de commandant zelf direct onderdeel is van het gevecht en soms letterlijk leidinggeeft onder vuur, wat de beschikbare tijd en mentale ruimte voor expliciet tactisch handelen verder beperkt. Naarmate het niveau stijgt, neemt de beschikbare ruimte toe om middelen te combineren, tempo en richting te beïnvloeden en het gevecht bewuster vorm te geven.

De commandant op het lagere tactische niveau is zelf direct onderdeel van het gevecht en geeft soms letterlijk leiding onder vuur, wat de beschikbare tijd en mentale ruimte voor expliciet tactisch handelen soms beperkt. Foto auteur

Dat doet echter niets af aan het feit dat ook op de laagste niveaus de gekozen tactiek in de juiste situatie het verschil kan maken. Juist onder omstandigheden van schaarste en tijdsdruk kan tactisch inzicht, bijvoorbeeld in tempo, verrassing of concentratie, doorslaggevend zijn. In die zin onderschrijf ik Roddenhofs betoog dat tactiek niet exclusief verbonden is aan een organisatieniveau, maar aan het denken van de commandant.

Ik ben het dan ook roerend met hem eens dat tactiek onderdeel moet zijn van het onderwijs van jonge manoeuvrecommandanten. Tegelijkertijd moeten we realistisch blijven. De hedendaagse infanteriecommandant moet een indrukwekkend palet aan technologie, procedures en technieken beheersen. Opleidingstijd en cognitieve capaciteit zijn niet onbeperkt. Het is dus zaak om tactisch onderwijs zó vorm te geven dat het ondersteunt en verdiept, zonder de toch al volle ‘emmers’ te laten overlopen.

Dat deze discussie nu expliciet wordt gevoerd, beschouw ik als winst. Het feit dat we binnen de krijgsmacht opnieuw scherp discussiëren over tactiek, tactisch vernuft en het belang van tactici op alle niveaus, past bij de ambitie om slimmer te vechten. Hopelijk draagt deze gedachtewisseling bij aan blijvende aandacht voor tactisch denken als kernvaardigheid, nu en in de toekomst.

Nu is het wachten op een ‘niet-manoeuvre’ collega die zal opmerken dat tactiek natuurlijk niet exclusief is voor de manoeuvrecommandant. Ook die collega heeft dan volkomen gelijk, dus kom maar op. Goed voor de discussie over dit belangrijke onderwerp.

 

[1] Marnix Felius, ‘Slimmer vechten’. Tactiek, mindset en actie: denken en doen verenigd’, Militaire Spectator 194 (2025) (6) 362; Commandant Landstrijdkrachten luitenant-generaal J.R. Swillens, Command Message (Utrecht, 2024).

[2] Felius, ‘Slimmer vechten’, 372.

[3] B.A. Friedman, On Tactics. A Theory of Victory in Battle (Annapolis, Naval Institute Press, 2017) 25.

[4] Defensiestaf, Nederlandse Defensie Doctrine (januari 2025) 56-61.

[5] Koninklijke Landmacht, Landoperaties Doctrine Publicatie 3.2., 2301-2307.

[6] Felius, ‘Slimmer vechten’, 372.

[7] Koninklijke Landmacht, Landoperaties Doctrine Publicatie 3.2., 2302.

[8] Nato Standardization Office, AJP-3.2. Allied Joint Doctrine For Land Operations (Brussel, NAVO,  februari 2022) 37.

[9] Idem, 38.

[10] Friedman, On Tactics, 15.

Over de auteur(s)

Luitenant-kolonel M.A. Felius

Marnix Felius is Hoofd Planintegratie bij Staf Commando Landstrijdkrachten.

Thomas Roddenhof BA

Thomas Roddenhof is geweerschutter 10e Infanterie Bataljon Bewaken & Beveiligen KNR.