Terwijl ik deze column schrijf, kijk ik naar een rij lege schermen gericht op de Straat van Hormuz, in het operationeel hoofdkwartier van de EU in Larissa, Griekenland, waar ik momenteel als stafofficier werk binnen Operatie Aspides. Normaal gesproken vormen deze schermen een dynamisch mozaïek van scheepvaartbewegingen: tankers en containerschepen die in een constante stroom bewegen. Het is de visuele verbeelding van een principe dat al bijna vier eeuwen oud is: mare liberum. De zee is van iedereen. Vrije doorgang is een basisprincipe van het internationale systeem.
Operatie Aspides probeert precies dat principe te beschermen. De missie is opgezet om de maritieme routes door de Rode Zee veilig te houden tegen aanvallen en intimidatie. Tegelijkertijd wordt met een schuin oog gekeken naar een andere maritieme chokepoint: de Straat van Hormuz. Juist daar ligt nu de reden voor de lege schermen. Terwijl ik deze regels schrijf, is het Iran gelukt door dreiging en aanvallen een van de belangrijkste energie-aanvoerroutes ter wereld effectief te sluiten.
Tot enkele dagen geleden waren de schermen nog gevuld met bewegende pijltjes. Nu is er niets. De maritieme verkeersstromen zijn abrupt stilgevallen. Tankers blijven op veilige afstand, verzekeraars verhogen premies of trekken dekking in en energieprijzen reageren vrijwel onmiddellijk. Het is een visuele herinnering aan hoe kwetsbaar de mondiale economie blijft voor geopolitieke schokken op zee.
Deze situatie is het directe gevolg van de snel escalerende oorlog die Israël en de Verenigde Staten op 28 februari tegen Iran begonnen. Op die dag zat ik met collega’s uit verschillende Europese landen in het hoofdkwartier toen het bericht binnenkwam dat de Iraanse opperste leider Ali Khamenei was uitgeschakeld. Heel even leek het alsof het Iraanse regime daardoor wankelde. Sommige analisten spraken voorzichtig over een mogelijke machtscrisis in Teheran. Die hoop bleek van korte duur. Kort daarna volgden raketaanvallen, drone-operaties en maritieme dreiging. De blokkade van de Straat van Hormuz was het meest zichtbare resultaat. Voor de EU-missie, die juist draait om het openhouden van maritieme routes, betekende dit een strategische klap in het gezicht.
Met het toenemen van de spanningen begonnen ook barsten te ontstaan in de coherentie van het politieke verhaal achter de oorlog. Het leek wel alsof niemand in Washington was voorbereid op deze economische fall out van operatie Epic Fury. In de dagen na het begin van de Amerikaanse aanvallen op Iran viel vooral de strategische inconsistentie in de communicatie vanuit Washington op. President Donald Trump gaf verschillende rechtvaardigingen voor het geweld. Enerzijds stelde hij dat de Verenigde Staten preventief handelden omdat Iran op het punt stond Amerikaanse doelen aan te vallen. Anderzijds suggereerde hij dat de oorlog een kans bood voor een machtswisseling in Teheran. Het doel van de operatie leek daarmee te schuiven tussen preventieve zelfverdediging en impliciete regime change. Minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio presenteerde weer een andere uitleg. Volgens hem had Washington ingegrepen omdat een aanstaande Israëlische aanval vrijwel zeker een Iraanse tegenaanval op Amerikaanse troepen zou uitlokken. In deze redenering was het Amerikaanse optreden dus bedoeld om een escalatie voor te zijn. De oorlog werd daarmee niet zozeer gepresenteerd als een initiatief van Washington, maar als een poging om een nog grotere crisis te voorkomen.
Andere leden van de regering probeerden het doel juist te vernauwen. Vicepresident J.D. Vance benadrukte dat het conflict geen langdurige oorlog mocht worden en dat de Amerikaanse inzet zich beperkte tot het neutraliseren van de Iraanse nucleaire dreiging. Tegelijkertijd sprak minister van Defensie Pete Hegseth in hyperbolische termen over de militaire resultaten. Volgens hem was de Iraanse militaire capaciteit vrijwel ingestort en hadden de Verenigde Staten een duidelijk strategisch overwicht bereikt. Formeel ontkende hij dat regime change het doel van de oorlog was, maar zijn retoriek suggereerde wel degelijk dat de machtsstructuur in Iran fundamenteel onder druk stond.
Het resultaat was een opmerkelijk diffuus strategisch narratief. Preventieve zelfverdediging, steun aan Israël, nucleaire non-proliferatie en impliciete regime change circuleerden tegelijkertijd als rechtvaardiging voor hetzelfde militaire optreden. Juist voor een oorlog die door Washington als noodzakelijk en beslissend werd gepresenteerd, ontbrak daarmee een eenduidig politiek doel. Voor militairen is dat geen academische kwestie. Zoals Clausewitz al stelde is oorlog een voortzetting van politiek met andere middelen. Zonder een helder politiek doel wordt het bijzonder moeilijk om militaire operaties strategisch te sturen. Middelen en doelen raken dan los van elkaar. De huidige situatie doet daarom onvermijdelijk denken aan een eerdere Amerikaanse oorlog: de invasie van Irak in 2003. Natuurlijk zijn er grote verschillen. Maar er zijn ook opvallende parallellen in hoe politieke doelstellingen zich ontwikkelen — of juist niet ontwikkelen — terwijl militaire operaties al gaande zijn. Wie de tijdlijn van de eerste maanden van de Irakoorlog bekijkt, ziet een vergelijkbare dynamiek. Op 1 mei 2003, slechts enkele weken na de invasie, verklaarde president George W. Bush dat de grote gevechtsoperaties voorbij waren. Achter hem hing het berucht geworden spandoek ‘Mission Accomplished’.
De realiteit bleek anders. In de maanden daarna namen de aanvallen op Amerikaanse troepen juist toe. Amerikaanse commandanten probeerden die ontwikkeling aanvankelijk te bagatelliseren. Op 27 mei 2003 verklaarde generaal-majoor Buford Blount III, commandant van de 3rd Infantry Division: ‘It’s a very small group—one or two people—in isolated attacks against our soldiers’. Ook Paul Bremer, de civiele bestuurder van Irak namens de Coalitie, hield aanvankelijk vol dat er geen sprake was van een georganiseerde opstand. Op 12 juni 2003 stelde hij dat er geen aanwijzingen waren voor centrale coördinatie. Nog geen week later verklaarde generaal-majoor Ray Odierno dat het geweld niet als guerrillaoorlog kon worden beschouwd. Volgens hem ontbraken organisatie, coördinatie en leiding. Ironisch genoeg sprak de Amerikaanse plaatsvervangend minister van Defensie Paul Wolfowitz dat beeld op exact dezelfde dag tegen. Hij erkende wél dat er sprake was van een guerrillaoorlog — maar voegde er optimistisch aan toe dat de Verenigde Staten die oorlog konden winnen.
Binnen enkele weken circuleerden dus meerdere, deels tegenstrijdige interpretaties van hetzelfde conflict: geïsoleerde incidenten, een beginnende opstand of een volwaardige guerrillaoorlog. Het politieke en militaire narratief liep uiteen, terwijl de realiteit op de grond steeds complexer werd.
Wie vandaag naar de oorlog met Iran kijkt, ziet opnieuw een soortgelijke versnippering van strategische verhalen. Dat betekent niet automatisch dat de uitkomst dezelfde zal zijn als in Irak. Maar het is wel een waarschuwing: strategische coherentie is geen een of andere academische luxe. Zij vormt het fundament waarop militaire operaties betekenis krijgen. Zonder dat fundament kunnen zelfs tactische successen strategisch betekenisloos blijken. Het effect van het uitblijven van strategische coherentie is hier op het hoofdkwartier pijnlijk duidelijk: de schermen, gericht op de Straat van Hormuz, blijven leeg. De olieprijzen gaan zowat sneller omhoog dan een Iraanse raket, maar niemand heeft een strategisch antwoord hoe we de olietoever weer op gang krijgen. De Verenigde Staten, toch een van de aanstichters van dit alles, weten het evenmin. Soms zegt een leeg scherm meer dan duizend bewegende pijltjes.