De Defensienota is dit jaar op verzoek van de Tweede Kamer onderworpen aan een wetenschapstoets.[1] Het resultaat van deze toets heeft slechts weinig stof doen opwaaien. Dat is verwonderlijk want de kritiek van de drie wetenschappers van de Universiteit Leiden en de Rijksuniversiteit Groningen was niet mals. De Defensienota maakt in hun ogen niet duidelijk ‘welke doelen worden gesteld en dus ook niet hoe doelen worden verbonden aan investeringen in middelen. Voorts ontbreken evaluatie-inzichten en evaluatie-instrumenten.’ Binnenkort publiceren wij een artikel op onze website waarin de drie wetenschappers hun bevindingen nader toelichten.

Deze kritiek op de Defensienota 2022 staat niet op zichzelf. De vorige nota, van 2018, typeerden wij als een glossy folder die je uitdeelt op het stationsplein.[2] Onze kritiek richtte zich vooral op het ontbreken van strategisch DENKEN en de grote nadruk op het DOEN. Het is zorgelijk dat er op dit gebied weinig verbetering lijkt te bestaan. Ook deze nota staat weer bol van de mooie tekeningetjes en figuurtjes maar de voorgestelde maatregelen ontberen een gedegen strategische onderbouwing. In aanvulling op de bevindingen van de wetenschappers zien wij twee andere oorzaken.

De eerste is dat militair-strategisch en krijgswetenschappelijk onderzoek in ons land weinig aanzien geniet. Het optreden van wetenschappers van onder meer de Faculteit Militaire Wetenschap van de NLDA in de media met duidingen van de oorlog in Oekraïne oogst weliswaar veel lof, maar weinigen lijken te beseffen dat zulke kennis niet uit de lucht komt vallen. Het is opmerkelijk dat vrijwel alle onderzoeksgelden van Defensie opgaan aan technologisch onderzoek bij TNO, NLR en Marin. Nu stellen wij de noodzaak van dit technologisch onderzoek niet ter discussie, maar we constateren wel dat dit patroon aansluit bij de bevindingen van de wetenschapstoets. Er is veel aandacht voor materieel en middelen, maar er bestaan slechts weinig strategische en krijgskundige studies over de relatie tussen die middelen en onze defensiedoelstellingen.

De tweede oorzaak is dat het denken over strategie, net zoals het vinden van een oplossing voor de stikstofproblematiek door Johan Remkes, vooral wordt uitbesteed. Ons pleidooi is dat strategievorming, te weten het zoeken van een match tussen doelen, middelen en methoden, juist vanuit de regering en het departement zelf moet komen. De Defensienota laat dit onvoldoende zien. Strategische adviseurs zoals HCSS, Clingendael, en de Adviesraad Internationale Vraagstukken schrijven goede studies, maar het maken van strategische keuzes kun je niet uitbesteden. De onderbouwing van goede strategische keuzes vereist een eigen denk- en analyseproces. Strategie is geen zaak voor consultants, maar maakt deel uit van de core business van het departement. Strategie gaat er immers om dat we eerst zelf nadenken over wat we willen bereiken, welk probleem we willen oplossen en hoe we dit het beste kunnen doen.

Het mooie is dat de wetenschapstoets een goed bruikbare agenda vormt voor toekomstig onderzoek. Dit kan bestaan uit onderzoek door defensie-instellingen maar ook uit korte of langere artikelen van lezers van de Militaire Spectator. Kies een dilemma en pak de pen op!

 

[2] Redactie, ‘Doen, het nieuwe denken’, editoriaal, Militaire Spectator 187 (2018) (7/8) 370-371.

Over de auteur(s)