Na een paar maanden onderhandelen ligt het er: een coalitieakkoord van het aankomend minderheidskabinet. Met daarin op het eerste gezicht veel goed nieuws voor Defensie: de defensie-uitgaven gaan naar 3,5% van het bbp en dit percentage wordt ook wettelijk verankerd, de eigen defensie-industrie wordt gefaciliteerd om te groeien, de Wet op de Defensiegereedheid wordt zo snel mogelijk ingevoerd en er wordt verder gebouwd aan een schaalbare krijgsmacht van 122.000 mensen, een erg ambitieuze doelstelling met het oog op demografische ontwikkelingen. Hoewel dienstplicht ook voor dit kabinet vooralsnog een brug te ver is, wordt als eerste stap van het Zweedse model wel een verplichte enquête voor alle 18-jarigen ingevoerd, hoewel hier ongetwijfeld eerst nog wat juridische hindernissen aan kleven. Ook komt er een defensie-innovatieautoriteit, wordt de Europese defensiesamenwerking verdiept en gaat de steun aan Oekraïne onverminderd door.

Deze maatregelen zullen de militaire paraatheid van de Nederlandse krijgsmacht zeker versterken, al weten we ook dat zelfs met 3,5% bbp niet aan alle noodzakelijke behoeften kan worden voldaan. Maar hoe staat het ervoor als we kijken naar de tegenhanger van militaire paraatheid in de maatschappij, naar de maatschappelijke weerbaarheid? Immers, armies fight battles, nations win wars. Dan rijst een minder rooskleurig beeld op uit het akkoord. Wie zoekt naar maatregelen die bijdragen aan maatschappelijke weerbaarheid zal sowieso het hele coalitieakkoord door moeten nemen; deze maatregelen staan namelijk versnipperd opgenomen.

Zo lezen we in het hoofdstuk over nationale veiligheid over de versterking van de weerbaarheid tegen hybride (sabotage)acties door (non)statelijke actoren, onder andere door een versterking van de inlichtingendiensten. Ook zet het kabinet in op samenredzaamheid, geconcretiseerd in de oprichting van buurtcrisisteams (mogelijk geïnspireerd op onze eigen Bescherming Bevolking van vroeger of de Amerikaanse Community Emergency Response Teams[1]) en de inrichting van noodsteunpunten. In de onderwijsparagraaf lezen we dat de Maatschappelijke Diensttijd behouden blijft om burgerschap en maatschappelijke weerbaarheid onder jongeren te versterken en dat er wordt geïnvesteerd in mentaal welzijn en weerbaarheid van studenten. In de digitaliseringsparagraaf vinden we maatregelen om de digitale weerbaarheid te versterken en in de democratieparagraaf ten slotte staat een voorstel voor de oprichting van een Gemeenschapsfonds, wat bij zou kunnen dragen aan de gewenste samenredzaamheid. Maar krijgen we hiermee ook de weerbare samenleving die nodig is om een mogelijk oorlogsscenario langdurig vol te houden, zoals we nu in Oekraïne zien? En hoe worden al deze maatregelen gefinancierd? De 1,5% bbp voor maatschappelijke weerbaarheid is als tegenhanger van de 3,5% bbp voor Defensie nergens terug te vinden.

Het is duidelijk dat een integrale visie op militaire paraatheid én maatschappelijke weerbaarheid ontbreekt. Het kabinet kiest duidelijk niet voor een whole-of-government benadering, laat staan voor whole-of-society. Daarmee is een weerbare samenleving nog niet in zicht. Laten we hopen dat een Artikel 5-scenario nog even op zich laat wachten.

 

[1] Zie hiervoor P. Hagenaars, ‘The greatest good for the greatest number’, Militaire Spectator 194 (2025) (2) 124-137, en D.T. Sanders en F. Baudet, ‘Een enigszins redelijke bescherming van de bevolking en van het nationale potentieel’, idem, 94-109.

Over de auteur(s)