Doet u het ook wel eens? Vuil rapen? Het wint aan populariteit naarmate er overal meer zwerfvuil ligt. Ik neem me al wandelend door mijn buurt steeds weer voor de volgende keer een vuilniszak mee te nemen. Vrienden van mij zijn verder en voor hen is het rapen van vuil al vaste prik.

Natuurlijk is het jammer dat het nodig is. Het is jammer dat mensen vuil achterlaten in parken, op pleinen, op straat – maar het is de realiteit. Dus we moeten er iets aan doen. ‘Ik ben tegen zwerfvuil’, is een gratuite constatering. Het heeft ook geen zin om een demonstratie tegen zwerfvuil te organiseren. Net als het zinloos is een demonstratie tegen armoede of tegen oorlog te organiseren. Het is pas zinvol om te demonstreren als je de vraag hebt beantwoord wat de aanpak van het probleem zou moeten zijn. 

De drieduizend mensen die eind vorige maand op de Dam tegen oorlog demonstreerden, waren het allerminst eens over de aanpak. Het was een bonte stoet: studenten die bang waren dat er door alle defensie-uitgaven nog meer geld aan onderwijs wordt onttrokken, principiële pacifisten en verdedigers van Poetin. Allen konden zich scharen achter de leuze ‘Peace Now’. Maar ja, wie niet?

Ieder zinnig mens is voor vrede, maar de vraag hoe we vrede behouden of bereiken wordt heel verschillend beantwoord. Grofweg zijn er voor dit vraagstuk twee benaderingen. De eerste kan worden samengevat met het aloude Latijnse gezegde si vis pacem, para bellum, wat wil zeggen dat als je vrede wilt, je je verdediging op orde moet hebben. De andere benadering is precies omgekeerd. In de woorden van de Oekraïense vredesactivist en dienstweigeraar Yurii Sheliazhenko: ‘If you prepare for war you get war, if you prepare for peace you get peace’.[1]

Het probleem bij de laatste benadering is: wat doe je als een ander begint met vechten? Keer je hem dan de andere wang toe? In de meeste gevallen zal de vechtersbaas dan helaas niet jouw moreel hoogstaande voorbeeld volgen, maar je verpletteren. Dus de consequentie van deze benadering is dat je niet kunt beschermen wat je lief is. Een maatschappij die zich niet verdedigt tegen potentiële vijanden zal uiteindelijk worden vernietigd, inclusief haar ideële erfgoed – zoals deze pacifistische benadering.

Maar ook de andere benadering, die de nadruk legt op afschrikking, kent serieuze problemen. Toen de Amerikaanse wapenindustrie in de Koude Oorlog een permanente status kreeg, signaleerde president Eisenhower al dat bewapening een doel in zichzelf werd, een verdienmodel voor krijgsmacht, politiek en industrie. De vijfsterrengeneraal waarschuwde dat de ondemocratische macht van dit militair-industriële complex de waarden teniet zou doen waar het bij de verdediging nu juist om draaide, de democratische manier van leven. Voor Israël, dat zwaar vertegenwoordigd is in het Amerikaanse militair-industriële complex, is deze vrees al bewaarheid. Daar functioneert de democratie nauwelijks nog vanwege de verregaande militarisering. Ook de kwaliteit van de Amerikaanse samenleving heeft – zowel in financieel als moreel opzicht – ernstig te lijden van de perverse prikkel tot oorlogvoering die uitgaat van het militair-industriële complex. In de rapporten van de denktanks waar dit complex van wemelt, worden de opties voor militaire operaties uitgewerkt. Zo liggen ze altijd klaar voor de politiek om mee aan de haal te gaan. De onsamenhangende oorlog in Iran is daar het meest recente voorbeeld van.

In de nieuwe voorstelling van het Haagse theatercollectief Firma Mes worden de twee hierboven genoemde, tegengestelde benaderingen om oorlog tegen te gaan gepersonifieerd door de hoofdrolspeelsters. Deze voorstelling, ‘Wapens’, gaat pas 21 november in première, maar laatst was er al een doorloop voor publiek. ‘Wapens’ gaat over twee vrouwen die elkaar bij het gezamenlijke zwerfvuil rapen hebben leren kennen. Hun liefde voor elkaar heeft te lijden onder hun verschillende benadering van geweld. De ene vrouw is pacifiste en de ander werkt bij het ministerie van Defensie. Samen zijn ze afhankelijk van de baan bij Defensie, die het paar in staat stelt hun dure kinderwens te vervullen. Dus de corruptie van het pacifistische ideaal zit al in de plot ingebakken.

Ik was er weer van onder de indruk hoe dit toneelgezelschap, Firma Mes, via uitvoerig onderzoek tot een voorstelling komt en zo een maatschappelijk probleem in al zijn complexiteit op de planken brengt – blikverruimend documentair theater, zoals hun slogan luidt. Na afloop van de doorloop mocht het publiek advies geven aan de theatermakers over wat nog beter kon. Ik vertelde dat ik me makkelijker identificeerde met de vrouw die zich niet schuldig wil maken aan geweld. Degene die bij Defensie werkt, werd mij iets te agressief neergezet. En dat doet af aan de bedoeling van de makers: de dilemma’s rond bewapening voor het voetlicht brengen zonder (meteen) een positie in te nemen. De voorstelling wil juist duidelijk maken dat we allemaal in zekere zin gecorrumpeerd raken door ons verlangen naar veiligheid en bestaanszekerheid, ook al hebben we nobele uitgangspunten.

Net als de twee vrouwen in ‘Wapens’ dat op het toneel doen, moeten we als maatschappij de twee uitersten in balans houden. We hebben beide tegengestelde benaderingen nodig om oorlog te voorkomen.

In Europa hebben we onze verzorgingsstaat kunnen opbouwen in de uitzonderlijke periode dat we profiteerden van andermans militaire afschrikking – en dat is nu voorbij. De Pax Americana bestaat niet meer. Zondagskinderen waren we, zoals Caroline de Gruyter dat noemt in haar nieuwste, gelijknamige boek. De geopolitieke realiteit is dat we nu zelf voor een afdoende afschrikking moeten zorgen. De VS en Israël zijn daarbij verkeerde voorbeelden; daar is de uitbouw van de strijdkrachten ten koste van de rest van de maatschappij – en de wereld – gegaan. Gelukkig zijn er betere voorbeelden. Polen, Finland, Zweden en de Baltische staten zijn een stuk beter voorbereid op oorlog in Europa dan Nederland, zonder dat je in hun geval kunt spreken van gemilitariseerde samenlevingen.

Maar met een afdoende militaire afschrikking alleen dienen we de vrede niet. Even goed hebben we de politieke wil nodig om er zonder gebruik van geweld uit te komen. En die wil moet stevig tegen de belangen van de aan oorlog verdienende industrie en diensten in kunnen gaan.

Dat brengt ons terug bij de aanpak. Waar gaan we de straat voor op? We moeten demonstreren voor transparantie in de defensie-uitgaven. Juist bij militaire zaken wordt al te makkelijk een beroep gedaan op geheimhouding die het democratische proces verstoort. De vraag wie waaraan verdient en of dat doelmatig is, moet in de openbaarheid worden beantwoord. Op onze spandoeken moet niet het vrijblijvende ‘Peace Now’ staan, maar ‘Verantwoording Nu!’.

En wanneer we niet de straat op gaan met een spandoek, dan gaan we de paden op en de lanen in met een vuilniszak. Wat een genot is dat vuil rapen vergeleken met het doden tellen en puinruimen dat niet zo heel ver van ons vandaan de dagelijkse oorlogsrealiteit is.


[1] European Network Against Arms Trade & Transnational Institute, Fanning the flames. How the European Union is fuelling a new arms race (Amsterdam, maart 2022).

Over de auteur(s)

Dr. R. (Pien) van der Hoeven

Dr. R. (Pien) van der Hoeven is historicus en mediaspecialist.