Soms weegt een masker zwaarder dan een helm. Dat klinkt misschien vreemd in een militaire organisatie, waar fysieke belasting, operationele druk en mentale weerbaarheid bij het vak horen. Toch zijn er zijn lasten die niet in kilo’s worden gemeten. De voortdurende noodzaak om jezelf te verbergen, om grappen weg te lachen, om woorden in te slikken, om bij iedere nieuwe plaatsing opnieuw te taxeren wie veilig genoeg is en wie niet: ook dat kan een mens uitputten.
Daarom is het belangrijk dat Defensie dit jaar opnieuw zichtbaar deelneemt aan Pride (dit jaar groter dan ooit in verband met de WorldPride Amsterdam 2026). De Canal Parade op 1 augustus wordt daarmee niet alleen een feestelijke optocht door de grachten, maar ook een wereldwijd podium waarop zichtbaar wordt welke instituties pal staan voor vrijheid, gelijkwaardigheid en veiligheid.
Dat Defensie daar opnieuw bij is, roept helaas elk jaar weer voorspelbare reacties op. Onder een X-bericht van het ministerie over de deelname aan Pride vorig jaar, verschenen opmerkingen als: ‘Zo. De woke-ellende is nog niet voorbij zeg… Dat mensen dat in eigen tijd willen doen – tot je dienst. Maar uit naam van de overheid? We hebben jullie toch ingehuurd voor defensie? Niet voor wat emotionele, ideologische, holle woorden. Stop er eens mee’.[1] Reacties op X gelden gelukkig niet als graadmeter voor de communis opinio in Nederland. Maar ze maken wel duidelijk waarom deze discussie nog altijd relevant is.
Want wie denkt dat de aanwezigheid van Defensie bij Pride slechts symboolpolitiek is, kent de geschiedenis van de krijgsmacht onvoldoende. Nederland presenteert zich graag als gidsland. In 1974 werd het formele verbod op homoseksuele mannen in de krijgsmacht opgeheven. Internationaal was dat vroeg. Duitsland deed dat pas veel later, de Verenigde Staten namen pas in 2011 afscheid van ‘don’t ask, don’t tell’ (al gaat het daar inmiddels weer de verkeerde kant op). Op papier liep Nederland dus voorop. Maar juist die papieren werkelijkheid kan misleiden.
De belangrijkste les uit de geschiedenis van homoseksualiteit in de Nederlandse krijgsmacht is dat formele toelating iets anders is dan feitelijke veiligheid.[2] De jure mochten homoseksuele mannen vanaf 1974 dienen. De facto veranderde er aanvankelijk weinig. De beleidsbrief waarmee minister van Defensie Henk Vredeling de deur opende, bevatte tegelijk tal van voorbehouden.[3] Homoseksualiteit werd niet langer automatisch als uitsluitingsgrond gezien, maar in dezelfde adem werd gesproken over persoonlijkheidsstructuren, mogelijke instabiliteit, lage en hoge zelfacceptatie en het risico op chantage. De deur ging open, maar er hing een waarschuwing boven: weet waar je aan begint.
Dat was geen detail. Wie in de jaren zeventig of tachtig openlijk homoseksueel militair was liep het risico niet langer als vakman, collega of leidinggevende te worden gezien, maar vooral als probleem. In 1984 vertelde een officier anoniem dat uit de kast komen kon leiden tot uitsluiting, fluistercampagnes, grove opmerkingen en vernedering. Zijn functioneren deed er dan nauwelijks meer toe. Het enige wat overbleef, was zijn geaardheid. De krijgsmacht mocht homoseksuele mannen formeel hebben toegelaten, veel militairen voelden zich nog altijd gedwongen om een rol te spelen.[4]
Pas eind jaren tachtig kwam er een echte kentering. De zaak rond de in Nederland gestationeerde Amerikaanse sergeant Jack Green, waarbij Nederlandse militaire autoriteiten informatie over Greens geaardheid doorgaven aan de Amerikanen waardoor hij zijn baan verloor, bracht de spanning tussen beleid en praktijk aan het licht. De affaire uit 1987 raakte aan een bredere vraag: kon een Nederlandse krijgsmacht die zich formeel tolerant noemde accepteren dat homoseksuele militairen in de praktijk kwetsbaar bleven voor uitsluiting, registratie of repercussies? De publieke en politieke ophef rond 1987 gaf het emancipatieproces bij Defensie een impuls. De Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht (SHK, die nog altijd bestaat) kreeg meer gewicht. Het onderwerp verdween niet langer in de la.
Die geschiedenis laat zien dat zichtbaarheid nooit vanzelfsprekend is geweest. Zij moest worden bevochten tegen schaamte, institutionele traagheid, karikaturen van mannelijkheid en het hardnekkige idee dat seksualiteit een privézaak is zolang de meerderheid er geen last van heeft. Maar juist in een militaire organisatie is het privéleven nooit volledig privé. Militairen wonen, werken, oefenen, varen en worden uitgezonden in groepen. Kameraadschap is geen abstract begrip, maar dagelijkse praktijk. Wie daar structureel een deel van zichzelf moet verbergen, staat niet volledig vrij in de groep.
Dat brengt ons bij Gijs.
Gijs was twintig jaar. Hij diende bij de geneeskundige troepen. Hij was daarnaast de jongste skydive-instructeur van Nederland. Zijn toekomst lag open, ook bij Defensie. Op 9 juni 2025 stapte hij op de kazerne uit het leven. Zijn collega en partner Bram trof hem daar aan. Voordat Gijs overleed, vertelde hij dat hij moe was van het masker dat hij voor zijn gevoel telkens op moest doen. Bram zei daarover: ‘Hij was gewoon heel bang dat ze er iets van zouden vinden, van z’n geaardheid. En dat ze hem ermee zouden pesten’.[5]
Dat citaat zou iedereen bij Defensie moeten raken. Niet omdat één tragisch verhaal eenvoudig kan worden verklaard: zelfdoding kent zelden één oorzaak. Maar wel omdat in deze woorden precies de historische continuïteit zichtbaar wordt waarover het ongemakkelijk blijft om te spreken. De angst om afgewezen te worden. De vrees om onderwerp van grappen of pesterijen te worden. Het masker dat nodig lijkt om erbij te horen. De vraag of de groep je nog steeds als militair ziet zodra zij weet wie je liefhebt.
Daarom is deelname van Defensie aan WorldPride geen vrijblijvende folklore. Het is geen ‘woke-ellende’ en ook geen afleiding van hoofdtaak 1. Het raakt aan personeelszorg, leiderschap en operationele gereedheid. Een krijgsmacht die jonge mensen vraagt onder hoge druk en met gevaar voor eigen leven te functioneren, moet begrijpen hoeveel energie verloren gaat wanneer militairen zichzelf moeten verbergen. Sociale veiligheid is geen zachte randvoorwaarde naast gevechtskracht. Zij is een voorwaarde voor vertrouwen. Zonder vertrouwen geen eenheid. Zonder eenheid geen gevechtskracht.
Dat betekent niet dat een boot in de Canal Parade voldoende is. Een regenboogvlag lost geen pesten op, vervangt geen goed leiderschap en ontslaat commandanten niet van hun verantwoordelijkheid. Maar symbolen doen ertoe, zeker in de krijgsmacht. Uniformen, rangen, vaandels, emblemen en herdenkingen zijn allemaal dragers van betekenis. Zij vertellen wie erbij hoort, welke waarden worden verdedigd en voor wie de organisatie verantwoordelijkheid neemt. Ook een regenboogvlag op een defensieboot zegt dus iets wezenlijks: dat niemand zijn plaats in het uniform hoeft te verdienen door een deel van zichzelf te verbergen.
In 1974 was formele toelating niet genoeg. In 1987 bleek dat beleid zonder praktijk tekortschiet. In 2026 mag Defensie dus niet doen alsof zichtbaarheid overbodig is geworden. Ergens kijkt een jonge militair mee die zich afvraagt of hij, zij of hen werkelijk zonder masker het uniform kan dragen. Voor die militair vaart Defensie mee. Voor Gijs. Voor Bram. En voor de eenvoudige waarheid dat niemand sterker wordt van een masker dat steeds zwaarder wordt.
[1] ‘Luctor Non Emergo’ (@LuctorNonemergo), ‘Eerste woorden van de post…’, X, 3 augustus 2026.
[2] Jaus Müller, ‘How a ‘Hunt for Homosexuals’ in 1987 Ultimately Contributed to a Real Change in Emancipation for Gay Men Serving in the Armed Forces of the Netherlands’, International Journal of Military History and Historiography (2021) 1-27.
[3] Ibidem.
[4] Ibidem.
[5] Carrie op Vrijdag, ‘Viva Imca Marina’, MAX Vandaag/Omroep MAX, NPO 1, 15 mei 2026, met item over militair Gijs van der Werf, 48 min.