Inmiddels onmisbaar voor de operaties van land-, luchtmacht en marine, verliep de introductie van de helikopter bij de Nederlandse krijgsmacht allerminst makkelijk. In vergelijking met NAVO-bondgenoten mag Nederland zelfs als late bekeerling aangemerkt worden. Waarom verliep de invoering van de helikopter bij de Nederlandse krijgsmacht zo moeizaam, terwijl de kansen en mogelijkheden van deze nieuwe technologie met de tijd steeds evidenter werden? Wat zegt dit over de Nederlandse defensieorganisatie? Rolf de Winter zet in Van iedereen en niemand, een bewerking van zijn proefschrift, uiteen welke inzichten zijn onderzoek naar het helikopterwapen hebben opgeleverd. De Winter richtte zijn onderzoek op de beleidsmakers, het hoogste politiek-militair niveau van het ministerie van Defensie en de krijgsmacht, en hoe zij in de periode 1945-2020 de besluitvorming over de invoering van de helikopter inhoud en vorm gaven. De lezer is bij deze ‘gewaarschuwd’: dit boek is geen anekdotisch verhaal en plaatjesboek over hoe vliegers, techneuten en ander ondersteunend personeel met vallen en opstaan leerden hoe je de helikopter het beste kon inzetten; de resultaten van het onderzoek lezen, mede door de schrijfkwaliteiten van de auteur, overigens net zo spannend en meeslepend.

Van ‘stiefmoederlijke’ behandeling naar hoofdwapensysteem

De Winter heeft zeker goede gronden voor zijn onderzoeksvragen, want het duurde goed een halve eeuw voordat de helikopter een stevige verankering vond binnen de Nederlandse defensie. Chronologisch brengt hij de introductie van de helikopter onder in vijf episodes, van pionieren naar hoofdwapensysteem. Samengevat was er bij de Nederlandse defensie na de Tweede Wereldoorlog nog weinig belangstelling voor de helikopter; de massale inzet van helikopters door bondgenoten tijdens de Watersnood van februari 1953 leek dit aanvankelijk te veranderen. Toch kreeg de helikopter tijdens de Koude Oorlog vanuit de krijgsmachtdelen niet dezelfde prioriteit als bij de bondgenoten, waarbij de NAVO wees op specifieke taken als onderzeeboot- en pantserbestrijding. De helikopter werd ‘stiefmoederlijk’ behandeld, zoals De Winter het kenschetst en waarnaar ook de titel van zijn boek verwijst. Er werden bijvoorbeeld wel helikopters aangeschaft, maar zonder deze te voorzien van adequate uitrusting. De inzet bleef beperkt tot ondersteunende taken, in een brede variëteit, tot en met taxidiensten toe.

Het einde van de Koude Oorlog luidde een heroriëntering in op de taakstelling van de Nederlandse defensie. Naast de bescherming van het eigen territoir en de collectieve verdediging in het kader van het NAVO-bondgenootschap gold als het ambitieniveau nu tevens mondiale inzet voor internationale vrede en veiligheid, naderhand aangevuld met civiele steunverlening (de zogenoemde ‘nationale taak’). De investeringen die hiertoe werden gedaan in vernieuwing van de helikoptervloot betaalden zich uit. De helikopter bleek al snel uiterst geschikt - zelfs onmisbaar - voor de uitvoering van dit brede takenpakket. Het ging zelfs zover dat de talrijke internationale missies en de hoge uitzenddruk die hiermee gepaard ging, problemen opleverden met het inzetbaar houden van personeel en materieel; opwerkprogramma’s en reguliere training streden om prioriteit. Met het oprichten van het Defensie Helikopter Commando (DHC) in 2008 werd de organisatorische versplintering losgelaten. De investeringen van de afgelopen tien jaar in nieuw en verbeterd materieel liggen in het verlengde van dit lange traject van de transformatie van de helikopter naar hoofdwapensysteem van de Nederlandse krijgsmacht.

Onderzoeksvragen

De Winter stelt dat de redenen voor dit moeizame proces slechts onvolledig in eerder Nederlands of buitenlands onderzoek zijn uitgediept. Wel biedt dit onderzoek hem aangrijpingspunten om zelf een vijftal vragen te formuleren waarmee hij systematisch elke episode (van pionieren naar hoofdwapensysteem) ontleedt en analyseert. Deze onderzoeksvragen – helikoptertechnologie; strategie, doctrine en tactiek; taakopvatting; politiekambtelijke actoren en besluitvorming; organisatorische inbedding en ontwikkeling – hadden op verschillende momenten een verschillende invloed en beïnvloedden bovendien elkaar. Er is dus geen rechtlijnige historische ontwikkeling, wat de analyse er niet makkelijker op maakt.

De onderzoeksvragen rond helikoptertechnologie, strategie, doctrine en tactiek en organisatorische inbedding leveren relevante informatie op voor een beter begrip van veel problemen die de introductie van de helikopter vergezelden, zoals De Winter het formuleert. Maar deze verklaren alleen ten dele waardoor en hoe de helikopter zich kon ontwikkelen tot hoofdwapensysteem. Het beschikbaar komen van nieuwe of verbeterde helikoptertechnologie vertaalde zich namelijk niet altijd automatisch of direct in omarming ervan door de krijgsmacht. Niet-technologische factoren (economisch, cultureel en politiek) bleken storende en vertragende effecten te hebben. Verder blijkt de Nederlandse doctrineontwikkeling nimmer leidend te zijn geweest voor invoering van de helikopter bij de krijgsmacht; die vond plaats als ‘canonisering achteraf’. De organisatorische inbedding van helikopters verdeeld over de drie krijgsmachtdelen, een beslissing in 1953 genomen door toenmalig defensieminister Staf, heeft, zo concludeert De Winter, de ontwikkeling van het helikopterbeleid decennialang in de weg gestaan.

Taakopvatting en bewindslieden

De Winter wijst twee factoren aan als ‘de voornaamste verklarende bouwstenen’ voor zijn onderzoek. De eerste is taakopvatting. Hoewel er sinds de jaren vijftig altijd een opdracht heeft gelegen voor de inzet van helikopters, vulden land-, luchtmacht en marine deze taakstelling maar matig in. De taakstelling strookte niet met de taakopvatting van de krijgsmachtdelen. De gevestigde belangen van land-, luchtmacht en marine leidden steevast tot de keuze voor traditionele wapensystemen (tanks, vliegtuigen en fregatten). Ten aanzien van de helikopter ontbrak het in de hogere beleidsregionen volgens De Winter namelijk aan kennis van en visie op de kansen en mogelijkheden die de inzet van helikopters boden. Die kennis en visie was er wel, maar in de onderste regionen van de defensieorganisatie en bovendien versnipperd over de krijgsmachtdelen. De ‘‘intellectual mastery’ van deze nieuwe technologie’, zoals De Winter het duidt, bleef daardoor onvoldoende. De Winter is niet mals met zijn kritiek op de toenmalige beleidsmakers. Hij concludeert dat het vasthouden aan de traditionele taakopvatting zelfs ten koste ging van de integrale slagkracht van de krijgsmacht. Pas toen dit patroon vanaf de jaren negentig veranderde, en taakstelling en taakopvatting beter op elkaar aansloten, kwam er meer prioriteit bij de helikopter te liggen.

De tweede factor die De Winter noemt is de invloedrijke rol van de politiek-ambtelijke leiding van het ministerie van Defensie in het besluitvormingsproces. De bewindslieden van Defensie waren natuurlijk lange tijd verantwoordelijk voor het hiervoor geschilderde beeld ten aanzien van taakstelling en taakopvatting. Materieelprojecten hebben ook last gehad van politieke beïnvloeding. Maar anderzijds is de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen en de organisatorische integratie die de invoering van de helikopter juist zo ten goede kwam, op politiekambtelijk niveau besloten en zeker gesteld. De Winter concludeert dat zodoende, vanuit de factoren taakopvatting en politiekambtelijke actoren, een ‘meerduidige’ verklaring ontstaat voor de wijze waarop de krijgsmacht omging met de introductie van de helikopter. Deze onderzoeksfactoren zijn voor hem doorslaggevend in de beantwoording van zijn onderzoeksvragen.

Bruikbare analyse

De Winters onderzoek beschouwt de volle breedte van de effecten van de introductie van een innovatief wapensysteem op de defensieorganisatie. Voor de invloed van bedrijfscultuur en personele consequenties op de besluitvorming op beleidsniveau is naar verhouding evenveel aandacht als voor de invloed van technologie en materieel-logistiek. ‘Beleid’ onderzoeken en beschrijven leidt makkelijk tot (te) veel detail of juist veel abstractie. De Winter heeft hiervoor in zijn boek een goede balans gevonden: voldoende abstract om ‘alles’ te kunnen vertellen, maar zonder dat dit in vaagheid resulteert. Waar hij ziet dat beleid tekortschiet, inconsistent of incongruent is, brengt hij dit duidelijk onder de aandacht. De soms licht ironische toon lijkt een doelbewuste keuze om een kritische beschouwing kracht bij te zetten. De Winters boek is niet alleen een aanrader vanuit militair-geschiedkundig oogpunt; ook voor hen die meer willen weten over de effecten van de introductie van innovatieve technologie is dit een tot nadenken stemmende analyse. De Winter claimt terecht dat zijn analyse bijdraagt aan ‘bredere inzichten, die de helikopter, sec beschouwd als innovatief wapensysteem, ver overstijgen’. De analyse zou zelfs zo maar kunnen dienen als model ter ondersteuning van de besluitvorming voor soortgelijke toekomstige projecten.

Lt-kol b.d. drs. Jan-Leendert Voetelink

Van iedereen en niemand

De helikopter en de Nederlandse krijgsmacht, 1945-2020

Door Rolf de Winter

Amsterdam (Boom) 2023

456 blz. - ISBN 9789024459131

Over de auteur(s)

Luitenant-kolonel b.d. drs. Jan-Leendert Voetelink

Jan-Leendert Voetelink is luitenant-kolonel b.d. van de Koninklijke Luchtmacht.