Onze veiligheid is voor strategisch materieel en grondstoffen sterk afhankelijk van buitenlandse leveranciers en daardoor kwetsbaar. Dat geldt in hoge mate voor de grote wapensystemen, maar zeker ook voor de kleinere. Versterking van de eigen industrie is een van de oplossingen waarmee strategische autonomie kan worden verbeterd. Het ministerie van Economische Zaken (MinEZ) laat elke twee jaar onderzoeken wat de toestand van de Nederlandse defensie- en veiligheid-gerelateerde technologische industriële basis (NLDTIB) is. Eind mei hebben MinEZ en het ministerie van Defensie het rapport van het meest recente onderzoek naar de Tweede Kamer gestuurd.[1] 

Het rapport bevat veel interessante en nuttige informatie en laat zien dat de NLDTIB de laatste jaren behoorlijk is gegroeid, naar circa 1.500 bedrijven met ruim 10 miljard euro omzet. Uit het onderzoek blijkt ook dat bijna de helft van alle NLDTIB‑bedrijven actief is in één of meer van de vijf prioritaire technologiegebieden die in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie als strategische domeinen worden aangemerkt. Dat is positief, maar de sector ervaart ook belemmeringen die verdere groei in de weg staan: onzekerheid over ordervolumes; complexe en langdurige aanbesteding; krapte op de arbeidsmarkt; moeilijke financiering; beperkte toegang tot defensienetwerken; problemen bij nieuwbouw en bij energievoorziening. Het rapport doet meerdere aanbevelingen om de sector te versterken.

 

Interessant is dat in dit rapport in opdracht van MinEZ vijftien aanbevelingen worden gedaan: zes voor MinEZ en negen (!) voor Defensie.[2] Die aanbevelingen zijn voornamelijk gebaseerd op directe informatie (vragenlijsten) uit de bedrijven. Maar de informatie over Defensie is gebaseerd op slechts enkele openbare documenten: het Projectenoverzicht 2025 en de Vaststelling van de begrotingsstaten voor de jaren 2022-2025. Wat niet wordt benoemd is dat Defensie bij grote materieelprojecten het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP) moet volgen. Het DMP is politiek opgelegd en ooit ontstaan om de Tweede Kamer op de hoogte te houden van het verloop van een project met als voornaamste doel het (financieel) uit de hand lopen te voorkomen (Walrus-affaire).

Wellicht is de strikte toepassing van het proces inmiddels te rigide geworden om soepel en snel zaken te kunnen doen en zou het wellicht vereenvoudigd of afgeschaft kunnen of zelfs moeten worden. Met de huidige informatiesystemen blijft tussentijdse controle op en inzicht in het verloop van een verwerving altijd mogelijk. Maar het DMP vereenvoudigen of zelfs loslaten vraagt vertrouwen en een hogere risicoacceptatie van de politiek.

Om bruikbare aanbevelingen te kunnen doen over het wegnemen van belemmeringen moet op zijn minst de klant (Defensie) daadwerkelijk worden betrokken. In een onderzoek verwijzen naar een paar documenten is daarvoor echt te mager. Als Nederland de strategische autonomie wil vergroten door de NLDTIB daadwerkelijk te versterken en te laten groeien wordt het tijd dat EZ, Defensie en NLDTIB met elkaar aan de slag gaan.  

 


[1] Kamerstuk 31125-145 dd 21 mei 2026. Periodiek Onderzoek Nederlandse defensie- en veiligheid­ gerelateerde technologische industriële basis. 

[2] Rapport, blz. 15.

Over de auteur(s)

Gepubliceerd in