In veel Europese landen laait, sinds de Russische invasie in Oekraïne, de discussie weer op over de dienstplicht. In Nederland en veel andere landen is de dienstplicht na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie opgeschort, maar sommige landen zoals Litouwen en Zweden hebben hem inmiddels alweer geactiveerd, terwijl andere daarover nadenken. Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: tot voor kort was ik geen voorstander van het herinvoeren van de dienstplicht in Nederland. Ik moet bekennen dat ik me daarbij vooral liet leiden door een aantal praktische overwegingen. In de eerste plaats zijn we als Defensie logistiek totaal niet meer in staat om jaarlijks vele tienduizenden jonge mensen op te vangen, te kleden en te trainen. Defensie heeft gewoon de kazernes, oefenterreinen, wapens en instructeurs niet meer om dat te doen. En de bestaande wet- en regelgeving maakt het heel lastig om die op korte termijn terug te krijgen.

 

In de tweede plaats waren we vanaf 1983[1] al nauwelijks in staat de dienstplichtigen tot het vereiste niveau op te leiden. Om ze onvoldoende voorbereid en slecht uitgerust in te zetten, de zogeheten Poetin-aanpak, vergt een minachting voor het menselijk leven die wij niet bezitten. Ten derde is het probleem met het invoeren van een ‘papieren’ opkomstplicht voor vrouwen alleen maar groter geworden. Toen minister Ank Bijleveld dit wetsontwerp in 2019 soepeltjes door het parlement loodste, was er nauwelijks weerstand, omdat dienstplicht voor vrouwen slechts een theoretische zaak leek. Een symbolische daad van gendergelijkheid zonder enige praktische consequentie. Maar wat als dat nu echt zou moeten gebeuren? Terwijl het percentage mannen dat rond 1990 daadwerkelijk op moest komen (rond de 40%) de ‘dienstplicht’ al tot een oneerlijke loterij maakte, wordt door de uitbreiding met vrouwen de geloofwaardigheid nog kleiner en worden de praktische problemen twee keer zo groot. Ten slotte is er nog steeds de motie-Frinking, die garandeert dat dienstplichtige militairen niet tegen hun zin op missie buiten Nederland mogen worden gestuurd. Dit maakt het uitvoeren van onze tweede hoofdtaak met een dienstplichtig leger praktisch onmogelijk.

 

Los van deze vier praktische overwegingen is er echter een nieuwe barrière bijgekomen, namelijk een mentale. De dienstplicht voor mannen bestond in Nederland al bijna 200 jaar en was tot eind vorige eeuw een geaccepteerd onderdeel van de maatschappij. Natuurlijk, er waren tegenstanders, weigeraars en ontduikers, maar het merendeel van de achttienjarige jonge mannen accepteerde dat ze een flinke kans liepen om een jaar van hun leven aan Defensie te moeten besteden. De meesten waren daar niet enthousiast over, maar probeerden er toch vaak het beste van te maken. Ze zagen dit als een vervelende, maar noodzakelijke plicht jegens hun land. Ze beseften (soms niet eens heel bewust) dat je vaderland je veiligheid, gezondheidszorg, rechtszekerheid, opleiding en kansen biedt en dat daar ook iets tegenover moet staan: een jaar van je tijd in een levensfase dat je nog weinig verplichtingen hebt en fysiek en mentaal goed vormbaar bent. Bovendien paste dienstplicht erg goed bij het collectivistische denken van de 19e en 20e eeuw toen mensen ergens bij-hoorden. Je was katholiek of protestant, je was socialist of liberaal, je was Fries of Limburger. Je maakte deel uit van een groter geheel en had geleerd dat je daarvoor een klein beetje je individuele opvattingen opzij moest zetten. Om erbij te horen en om, als grote groep, ‘samen’ meer te kunnen bereiken. Want iedereen die bij een grote groep wil horen moet een klein beetje zijn individualiteit inleveren en accepteren dat je nooit 100% je eigen zin kunt krijgen.

 

Met de steeds verder voortschrijdende individualisering van de samenleving is het politieke en maatschappelijke landschap in de 21e eeuw toenemend versnipperd. Er zitten twintig partijen in de Tweede Kamer en veel Nederlanders gaan er prat op dat ze zelf het beste weten wat goed voor hen is. Door de overheid gegeven regels worden door talrijke landgenoten alleen nog maar gevolgd als ze daar zelf het ‘nut’ van inzien. Politieagenten, BOA’s, verpleegkundigen en andere hulpverleners kunnen over deze onhebbelijke Nederlandse eigenschap meepraten. Ook de Nederlanders met een allochtone achtergrond (zo’n 23% van de jeugd), voelen weinig affiniteit met onze krijgsmacht en dan is er is nog een groeiende groep mensen die helemaal niet meer in de overheid gelooft; de zogeheten ‘autonomen’ die elke regel of wet aan hun laars lappen.

 

In deze situatie vrees ik dat het herinvoering van de dienstplicht tot een onbeheersbare collectieve ongehoorzaamheid zal leiden. Tot een ware volksopstand! De jonge mannen zijn totaal vergeten hoe het ooit was, en de meeste jonge vrouwen geloven al helemaal niet dat de overheid hen tot zoiets ‘achterlijks’ kan verplichten. Ook de ouders van de gemiddelde achttienjarige geloven gewoon niet dat hun prinsjes en prinsesjes tot zoiets barbaars als dienstplicht gedwongen kunnen worden. Desgevraagd geven veel (vooral meer gefortuneerde) Nederlanders aan bij de dreiging van een oorlog Nederland liever te verlaten en elders in de wereld, op veilige afstand, af te wachten tot de beroepsmilitairen de klus geklaard hebben; of de Amerikanen… maar dat laatste kunnen we inmiddels wel vergeten. 

 

Het niet accepteren van de gedachte achter de dienstplicht maakt daarmee een belangrijk onderdeel uit van het gebrek aan maatschappelijke weerbaarheid die onze huidige individuele samenleving kenmerkt. Iets wat we de afgelopen jaren bij tal van onderzoeken breed hebben kunnen constateren: iedereen wil graag de rechten van het Nederlandse staatsburgerschap, maar slechts weinigen hebben trek in de daarbij horende plichten, zoals het verdedigen van diezelfde rechten. Daarom vrees ik dat we er in het kader van het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid in ieder geval goed aan doen om op z'n minst het gesprek over de voor- en nadelen van (een vorm van) dienstplicht weer met elkaar te voeren, want het gaat jaren kosten om deze geest weer in de fles te krijgen. Bij rechten horen nu eenmaal ook plichten. Als een grote meerderheid van de bevolking dat niet accepteert, verliest een land zijn bestaansrecht, want als niemand in een land de in het verleden verworven rechten wil verdedigen, blijft daarvan uiteindelijk niets over. Of zeg ik nu iets raars?


 


[1] Aanvankelijk was de dienstplicht achttien maanden. Vanaf 1983 werd dit teruggebracht naar veertien maanden en enkele jaren later werd dat zelfs nog maar twaalf maanden. Kaderleden dienden twee maanden langer. Pas aan het einde van die twaalf maanden was de militair volledig opgeleid. Het merendeel van de ‘parate’ dienstplichtigen was dus feitelijk niet volledig opgeleid. 

Over de auteur(s)

Gepubliceerd in