Oud-militairen en veteranen hebben ervaring met het nemen van besluiten onder druk; betrek hen daarom actief bij weerbaarheidsinitiatieven. Die oproep deed Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht viceadmiraal Ad van de Sande zaterdag tijdens het lustrumsymposium ‘Weerbaarheid’ van de vereniging Mars et Historia.

Foto Wim Adriaansen
'Wie de militaire geschiedenis bestudeert kijkt niet alleen naar conflicten, maar ook naar weerbaarheid’, aldus de IGK. Het gaat daarbij zowel om militaire als civiele weerbaarheid. ‘Hoe weerbaar zijn wij als samenleving?’ is een vraag die volgens Van de Sande uiterst actueel is. Weerbaarheid wordt opgebouwd in de jaren voor een conflict en eerdere perioden van crisis hebben uitgewezen dat sociale veerkracht en cohesie belangrijk zijn. De viceadmiraal wees op de ervaring die oud-militairen in huis hebben en pleitte voor hun deelname aan huidige weerbaarheidsprojecten. ‘De geschiedenis geeft inzicht in weerbaarheid. We moeten niet bang zijn voor de toekomst, maar ons voorbereiden. Geschiedenis is daarbij een spiegel en een waarschuwing.’
Studentenweerbaarheid
Naast de IGK lieten acht sprekers hun licht schijnen op het onderwerp weerbaarheid. Tim Buruma ging in op studentenweerbaarheid door de eeuwen heen en vertelde dat de eerste eenheid al in 1665 werd opgericht in Groningen, midden in de Tweede Engelse Oorlog. In Noordoost-Nederland was er strijd op land, voornamelijk tegen de bisschop van Münster, bijgenaamd Bommen Berend. De studenten kregen een vaandel met gewestelijke elementen en een geweer. In het rampjaar 1672 was er een Groninger Studentencompagnie. In 1830, na een oproep van de universiteit, meldde zich 27 procent van de Groningse studenten om mee te gaan doen aan het neerslaan van de opstand in de zuidelijke Nederlanden. Op hun vaandel prijkten nu nationale emblemen en zij deden als vrijwillige flankeurs mee aan de Tiendaagse Veldtocht. ‘In onze tijd hebben we het Defensity College en de Nationale Weerbaarheidstraining, maar een oproep van de universiteit en aansporing van docenten voor deelname aan de krijgsmacht zou nu als militarisering van de universiteit worden beschouwd’, zo trok Buruma, zelf student en reservist bij de KL, de lijn door naar het heden.
Een amateuristisch leger?
Prof. dr. Ben Schoenmaker nam in zijn lezing A.L.W. Seyffardt onder de loep, de militair en politicus voor de Liberale Unie die in 1888 veel stof deed opwaaien met een artikel in De Gids waarin hij zich sterk maakte voor de algemene dienstplicht. Zijn doel was de hele samenleving van het kleine Nederland weerbaar te maken. Slechts een derde van de jonge mannen kwam onder de wapenen, waarbij de gegoede burgerij de dienstplicht ook nog eens kon afkopen. Kolonel Seyffardt diende van 1891-1894 als minister van Oorlog, maar mede door weerstand van de legerleiding moest hij afzien van zijn plan de krijgsmacht te hervormen naar Zwitsers model, met een veel geringer aantal officieren. De legerleiding vreesde dat de krijgsmacht amateuristisch zou worden.

Foto Wim Adriaansen
Omdat een terugkeer naar het leger er na zijn ministerschap niet in zat, richtte Seyffardt zich op de samenleving en werd in 1900 medeoprichter van de Vereeniging Volksweerbaarheid. In het orgaan Allen Weerbaar schreef hij over het fysiek en mentaal weerbaar maken van jonge generaties. Mede door de voortgaande bewapening van grote Europese landen kreeg Seyffardts boodschap de wind mee. Hij herinnerde aan de aloude vitaliteit, bijvoorbeeld van de Watergeuzen, maar liet zich ook inspireren door de Zuid-Afrikaanse Boeren, die van 1899-1902 in een tweede bloedige oorlog tegen de Engelsen waren verwikkeld. Na een bloeiperiode aan het begin van de twintigste eeuw nam de animo voor de Vereeniging af. Seyffardts voorstel om de weerbaarheid te democratiseren, dwars door de verzuiling en de klassenstrijd heen, bleek een onbereikbaar ideaal.
Economische oorlogsvoorbereiding
Nederland voerde sinds 1830 een gewapende neutraliteit en wist dat ook in de Eerste Wereldoorlog te handhaven. Hoewel de oorlogshandelingen gepaard gingen met verdere wapenontwikkelingen, kozen regeringen er in de jaren 1920 voor om op de krijgsmacht te bezuinigen. In haar lezing over economische oorlogsvoorbereiding benadrukte drs. Liesbeth Brama hoe Nederland in de jaren 30 een inhaalslag moest maken. In een memorandum uit 1935 waarschuwde Chef van de Generale Staf Izaäk Reijnders dat het Duitse leger zo aan kracht aan het winnen was dat Nederland niet de illusie moest koesteren bij een volgende oorlog nogmaals te worden ontzien. Er kwamen diverse initiatieven, waaronder het Weer- of Defensiefonds uit 1936, bedoeld voor investeringen in de krijgsmacht en vooral in vliegtuigen. Ook in 1936 werd de Commissie voor Economische Verdedigingsvoorbereiding opgericht, een jaar later gevolgd door het Regeringscommissariaat voor de Economische en Industriële Verdedigingsvoorbereiding. Brama legde uit dat met de term ‘verdediging’ in feite oorlog werd bedoeld, maar ergens hield Nederland toch de hoop op verdere neutraliteit als de buurlanden niet werden geprovoceerd. De regering gaf nu prioriteit aan het aanleggen van voedselvoorraden en grondstoffen voor de productie van wapens en munitie. Alles moest zo veel mogelijk plaatsvinden binnen de Hollandse Waterlinie en Nederland moest het drie maanden kunnen uithouden tot er hulp kwam, in de eerste plaats vanuit Engeland. Dat de economische weerbaarheid nooit voor honderd procent werd gehaald bewijzen onder meer de bestellingen voor geschut die Nederland in de jaren 30 juist in Duitsland plaatste. Verder kwam van de geplande evacuatie van bedrijven naar de Vesting Holland in mei 1940 niets terecht. ‘Men was eenvoudigweg te laat’, aldus Brama.

Foto Nationaal Archief
Koude Oorlog
Een sprong in de tijd na de Tweede Wereldoorlog maakte Daan Sanders MA met zijn lezing over de omgang met de veiligheid van burgers in Nederlandse oorlogsplannen in de Koude Oorlog. Enerzijds gingen de plannen uit van gecontroleerde evacuaties, anderzijds van ongecontroleerde vluchtelingenstromen in tijden van crisis. Hij beschreef drie pijlers die aan het begin van de Koude Oorlog veel werden genoemd: de intrinsieke waarde van het beschermen van de bevolking (waar de krijgsmacht voor is), het voortzettingsvermogen van Defensie en de afschrikkingsstrategie, waarbij de rol van een weerbare burgerij steeds belangrijker werd gevonden. Er was een urgent gevoel om niet nog een keer zoals in 1940 uit het Oosten te worden overrompeld. ‘De civiele verdedigingsvoorbereiding werd onderdeel van een nog grotere oorlogsvoorbereiding, waarbij de Rijksoverheid een zeer complex web van ministeriële organen oprichtte’, zei Sanders. Door de grote bevolkingsdichtheid werd afgezien van het bouwen van bunkers en schuilgelegenheden en daardoor kwam de nadruk te liggen op – op papier – uitvoerbare evacuaties. Binnenlandse Zaken coördineerde dit soort vraagstukken, en Defensie was er nauw bij betrokken. ‘Defensie wilde voorkomen probleemeigenaar te worden, want dan zou het ook op de defensiebegroting eindigen.’ Defensie had daarom een ambivalente houding ten opzichte van dit vraagstuk. Sanders onderstreepte dat over evacuaties en vluchtelingenstromen lang werd gedebatteerd, al was het maar over opvanglocaties. Defensie maakte dreigingsanalyses en werkte rond militaire doelen met evacuatiecirkels.
Voor Nederland was van belang dat de IJssellinie als verdedigingslijn in de jaren 50 werd ingeruild voor de Noordduitse Laagvlakte. ‘De hoogtijdagen van de civiele verdedigingsplanning lagen in de tijd van de massive retaliation van de NAVO, terwijl in de tijd van de flexible response civiele verdediging en evacuaties in de praktijk veel minder werden beoefend.’ De discussie ontstond of vluchtelingenmaatregelen nog wel realistisch waren. De kennis rond civiele verdediging zakte steeds verder weg. ‘De conclusie is dat Nederland van de ambitie om het anders te doen dan in 1940 afgleed naar verwaarlozing van het vraagstuk rond civiele verdediging. Uiteindelijk had Defensie nooit de middelen om mensen massaal te evacueren, omdat de krijgsmacht zich moest concentreren op militaire operaties.’

Foto Nationaal Archief
Sinds de inval van Rusland in Oekraïne in 2022 is het debat over civiele bescherming terug op de agenda. Tijdens de vragenronde vroeg een symposiumdeelnemer hoe de sprekers de actuele weerbaarheid en opofferingsgezindheid van de Nederlandse bevolking inschatten. Volgens Liesbeth Brama is er niet per se reden tot paniek, omdat de recente coronacrisis een zeker incasseringsvermogen heeft aangetoond. Moeilijker zal het echter worden naarmate een crisis langer duurt en overheidsmaatregelen mensen harder zullen raken. De boodschap van IGK Van de Sande, dat vrede en veiligheid niet vanzelfsprekend zijn, lijkt echter steeds meer Nederlanders te overtuigen.