‘Iemand kan een goed generaal zijn in een regulier leger, maar niet geschikt zijn voor het verzetswerk’. Dat was een van de conclusies die kapitein der Infanterie A. Wolting in 1949 trok in zijn artikel over volksverzet in de Militaire Spectator.[1]

De schrijver keek terug op de Tweede Wereldoorlog, toen er in Nederland volksverzet in de breedste zin van het woord was, ‘zowel gewapend als ongewapend’. In een tijd van geopolitieke verschuivingen, waarin het atoomwapen opkwam, drong Wolting er op aan de organisatie van het volksverzet voor een toekomstig conflict op de agenda te zetten. 

Foto Beeldbank NIMH

Wolting gaf toe dat er veel onzekere factoren waren om een verzetsorganisatie ‘tot in de perfectie’ van tevoren op te kunnen richten. ‘Hier ligt een taak vooral voor de Generale Staf om in grote lijnen maatregelen voor te bereiden, die t.z.t. door initiatief en improvisatie aangepast kunnen worden aan de omstandigheden.’ In elk geval moesten ‘volk en strijdkrachten op elkaar ingespeeld zijn’. Vaststond dat het ‘passieve verzet het actieve verzet nodig heeft’, terwijl een Nederlandse ‘partizanencommandant’ over specifieke kwaliteiten moest beschikken, zoals politieke scholing en empathisch vermogen, bijvoorbeeld richting arbeiders, die fabrieken konden stilleggen als dat nodig was. Verzet moest ‘organisch groeien in het volksleven, gestimuleerd door geestelijke krachten’ en in samenwerking met een leger dat ‘in plaats van de lachlust’ door ‘geest, methode, efficiency, enz. de waardering van het volk’ opwekte.

[1] A. Wolting, ‘De waarde van het volksverzet in de moderne oorlog’, Militaire Spectator 118 (1949) (6) 350-356.

Over de auteur(s)

Gepubliceerd in