De provost marshal vertegenwoordigt C-KMar in de staf van de Commandant der Strijdkrachten. Kolonel Etiënne van Veenendaal bekleedt de functie nu een jaar en legt uit wat zijn adviesrol inhoudt. Het werk speelt zich af op het scheidingsvlak van ‘groen’ en ‘blauw’, en dat maakt het voor Van Veenendaal juist interessant. ‘Bij de omzwaai naar hoofdtaak 1 is de marechaussee is een belangrijke joint force multiplier en alle werkzaamheden die wij verrichten ondersteunen het gevecht.’

Kolonel drs. Etienne van Veenendaal EMSD is werkzaam als provost marshal bij de Defensiestaf/Joint Force Command. Daarnaast vervult hij de nevenfunctie van Kennisadviseur Military Police / Stability Policing binnen de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft een universitaire master in bestuurskunde en heeft de HDV afgerond.

 

 

Hoe gaat de Koninklijke Marechaussee om met de hernieuwde focus op hoofdtaak 1?

‘Het werk van de KMar valt uiteen in drie hoofdtaken: militair politiewerk, grensbewaking, en bewaken en beveiligen. Alle drie de taken krijgen nu meer inhoud. Wij hebben geen problemen met prioriteitstelling, want alles is belangrijk. De KMar is goed in het balanceren van de taken en in goed overleg met Defensie kijken we welke organisatie haalbaar is. We moeten in elk geval voorkomen dat we pas op het gevechtsveld leren hoe we het moeten doen. Onze valkuil ligt er evenwel in dat we niet rotsvast moeten blijven geloven dat de KMar alle taken kan blijven balanceren. Elkaar een spiegel voorhouden is daarom altijd goed.’

Hoe past de provost marshal in dat plaatje?

‘In 2012 stond de functie van provost marshal (PM) al omschreven in de doctrine Commandovoering. Die definitie klopt nog steeds. De NAVO-definitie is jonger en dat is ook de richtlijn. Als ik de functie kort moet omschrijven dan is de provost marshal de speciale stafadviseur voor alle politie-aangelegenheden in het verantwoordelijkheidsgebied van de commandant. Specifiek voor de Nederlandse situatie is dat eigenlijk een rol van de Commandant Marechaussee, die zich hiervoor permanent laat vertegenwoordigen in de staf van de Commandant der Strijdkrachten. De provost marshal heeft een kantoor ter beschikking met twee medewerkers, onder wie een plaatsvervanger die tevens subject matter expert is op het gebied van mobiliteit. Tevens is er op het bureau een overste die expert is op het gebied van captured persons, gevangenen dus, en die is tevens mijn lead planner. Dat is kort gezegd de vredessterkte van het bureau van de provost marshal. De provost marshal wordt nog niet altijd door iedereen gevonden omdat de functie pas recent gevuld is. Meer bekendheid is daarom nodig, want nog te weinig mensen bij Defensie weten dat ik gerichte adviezen kan geven.’ 

Volgens de Joint Doctrine Publicatie 5 – Commandovoering is de provost marshal de adviseur van de commandant over alle zaken betreffende orde, discipline en veiligheid binnen de troepenmacht, evenals over militaire politiezaken. Ook is de provost marshal, eventueel samen met de commandant van een Multinational Support Unit (MSU) (als deze is opgericht), verantwoordelijk voor vraagstukken van (openbare) orde en veiligheid van de civiele bevolking in het inzetgebied. De provost marshal kan ook opgenomen zijn in een andere stafsectie (J3).

Hoe bent u zelf bij de marechaussee gekomen?

‘Ik begon bij Defensie in de tijd dat het nog niet mogelijk was de opleiding tot officier direct bij de marechaussee te volgen: iedereen moest eerst naar de landmacht. Ik kwam eerst bij de artillerie en ben opgeleid als luitenant-waarnemer, wat nu de vuursteunofficier is, en als pelotonscommandant. Beide functies heb ik vervuld. Ik heb bij 43 en 11 Afdeling Artillerie reguliere functies vervuld in de lijn als plaatsvervangend batterijcommandant en pelotonscommandant. Daarna stapte ik in 1999  over  – dat deed een viertal mensen ieder jaar – en daarna volgde de omscholing tot officier KMar. Wie voor de omscholing slaagde werd overgenomen. Daarna liepen we stage bij de politie om beter in het politiewerk te kunnen komen, dat was bijna altijd de politie Amsterdam. Als geboren Amsterdammer was dat voor mij bijzonder interessant. Daarna begonnen wij op een district van de Koninklijke Marechaussee als officier S3 (Operaties) toegevoegd met de benaming ‘hoofd bureau uitvoerende dienst’. We waren met zes en er waren zes districten. Ik startte zelf in Den Haag en kreeg er daardoor als neventaak commandant ere-escorten bij, wat ik nog steeds ben.’  

Hoe zit het met de cultuurverschillen bij de KMar en de landmacht?

‘Ik wilde naar de marechaussee vanuit het idee zowel politieman als militair te kunnen zijn. Die combinatie is alleen mogelijk bij de KMar. Het is een bijzonder korps met een interessante historie dat beide taken vervult. De cultuur bij de KMar is uiteraard meer gericht op de politie dan bij de landmacht. Die cultuur moet je jezelf wel eigen maken. Ik stapte een jaar later over nadat de KMar zelfstandig van de landmacht was geworden. Overigens staat de cultuur niet vast, maar zij ontwikkelt zich steeds. We bevinden ons nu in een tijd waarin meer van de militaire kant van de KMar wordt gevraagd, waardoor de cultuur opschuift naar die kant. Een tijd lang waren we eigenlijk bijna de civiele politie, met bijbehorende cultuur. De KMar is uiteraard meer militair dan de gewone politie, maar veel minder militair dan de rest van de krijgsmacht. In zo’n dubbel proces voel ik me thuis. Het is wennen, omdat het landmachtproces veel duidelijker is. Bij de KMar moet je meer schakelen, en dat moet je leren. Ligt dat in het taalgebruik, de cultuur, of de manier waarop je je opstelt? Ik loop nu in het groene camouflagepak en ik merk dat ik me weer meer de taal van de andere krijgsmachtdelen eigen maak. De dingen direct duidelijk maken, zonder opsmuk zeggen waar het op staat.’

‘Ik laat de commandant in haar waarde en zeg bijvoorbeeld dat ik in een situatie drie handelingsopties zie, en niet 2,5 of 6. Ik leg de opties dan voor ter keuze. De politieman is veel nieuwsgieriger naar het verhaal rond een onderwerp of gebeurtenis – wat wil de ander vertellen? – en opereert veel meer in een grijsgebied. Nu bevind ik me in een situatie waarin dingen zwart of wit zijn. In mijn huidige functie loopt de PMO voorop in de transitie die de KMar doormaakt naar een werkwijze waarin de opdracht centraal staat – flauw gezegd: doen wat er gezegd wordt – en als je snapt wat er moet gebeuren: gewoon uitvoeren. Ik merk dat oudere collega’s bij de KMar hun ervaringen graag doorgeven aan jongere, die er veel van kunnen leren. De jongeren komen van de opleiding die voor een groot deel ‘groen’ is. Mensen delen uiteindelijk een zelfde soort enthousiasme voor de marechaussee.’

‘De CDS heeft besloten een provost marshal office in te richten, conform de werkwijze in andere NAVO-landen’. Foto MCD, Gerben van Es

Hoe ziet de provost marshal de prioriteiten van de KMar en de krijgsmacht?

‘Laatst werd ik gevraagd een strategische analyse te schrijven voor de marechaussee, want de Bestuursstaf Defensie wilde weten waar de OPCO’s hun focus leggen bij hoofdtaak 1, de verdediging van het Nederlandse grondgebied en dat van de bondgenoten. We hebben gekeken wat het takenpakket van de KMar is: dat is hard vastgelegd in de wet en in NAVO-documenten, omvangrijk en divers. De marechaussee kan niet alle taken tegelijk uitvoeren, maar balanceert in overleg met de gezagsdragers tussen prioriteiten. De taak is nu om meer militair te worden en in de richting van meer groene opdrachten te gaan, waaronder het adviseren van de commandant. Om daar een goed overzicht van te krijgen is er een oefening gehouden, een zogeheten rodeknopscenario: wat als het weer oorlog wordt in Nederland? Een van de adviezen die de CDS kreeg was om zich beter te laten adviseren. Uiteindelijk heeft de CDS besloten daarvoor een provost marshal office in te richten, conform de werkwijze in andere NAVO-landen. Het proces om het office in te richten begon zo’n anderhalf jaar geleden en ik ben nu een jaar op mijn post.’

Wat voegt de provost marshal toe voor de CDS?

‘Die vraag werd ook letterlijk zo gesteld door de chef-staf van het nieuwe Joint Force Command. Het is een nieuwe functie en office en we worden nog niet altijd gevonden, dat hoort bij zo’n proces. Wij leggen uit dat de KMar kan helpen als gendarmerie-type organisatie die ook in Nederland civiele politietaken doet. Wij hebben ervaring op het scheidingsvlak civiel-militair en kunnen op dat gebied helpen. We kunnen helpen door samen met DJZ te kijken naar juridische regelgeving – denk ook aan de behandeling van krijgsgevangenen – ik kan de CDS een toelichting geven over de onafhankelijkheid van de opsporing en de uitvoering daarvan door de KMar, of hoe de officier van Justitie de marechaussee ziet. Al die adviezen helpen om het militaire instrument beter te kunnen inzetten. De positie van de KMar – civiel en militair – maakt de krijgsmacht veelzijdiger. Ik breng ook ongevraagde adviezen uit, momenteel is dat iets meer dan normaal, ook omdat de organisatie nog moet leren welke vragen ze precies aan de provost marshal kunnen stellen. Mijn mensen hebben deelgenomen aan de joint operationele planninggroep, die het operatieplan van de CDS heeft gemaakt. Het thema militaire opsporing en gevangenen is naar achteren geschoven, want dat bleek een heel ingewikkeld onderwerp te zijn. Ik adviseer de CDS dan hoe hij dat in zijn operatieplan moet vastleggen, zodat duidelijk is wat er anders is in oorlogstijd. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met krijgsgevangenen? Brengen we die onder in het buitenland, of brengen we ze naar Nederland? Of wordt het een combinatie daarvan? Ik breng kennis in die er voorheen niet was en breng risico’s in kaart aangezien politiewerk ook snel politiek wordt, het zogeheten politics of the police.’

 ‘Ik ben de provost marshal van de CDS, de stem van C-KMar in zijn staf, met name in het JFC om daarin te helpen de plannen te vormen. Dat geldt voor iedere militair commandant. De brigades van de landmacht krijgen een militair politie-eskadron en de commandant daarvan zit in de staf van de brigadecommandant en doet op tactisch niveau hetzelfde provost marshal-werk, door bijvoorbeeld uit te leggen hoe de krijgsmacht met gevangenen moet omgaan en wat de kosten daarvan zijn. Daarnaast zijn wij verkeersspecialisten.’  

Leert uw office ook van de praktijk in andere landen?

‘Al sinds twintig jaar levert Nederland de hoogste provost marshal van de NAVO: de PM van Allied Command Operations in Mons is een Nederlander, kolonel Frans van Veenendaal. Het contact met hem is goed. Hij adviseert SACEUR over de inzet van 800.000 MP’s in de NAVO. Ook in het Joint Force Command in Brunssum zit een Nederlander. Voor het joint operation area centre zijn zij verantwoordelijk voor de plannen. We hebben ook een deputy provost marshal bij JSEC in Ulm en ook een bij het 1GNC. Er is een hechte community van PM’s die elkaar snel weten te vinden als het gaat over militaire politietaken, mobiliteitsondersteuning, de omgang met gevangenen, best practices, beveiligingstaken en policing the force en policing stability-taken vlak voor en na oorlogsomstandigheden.’

‘We hebben de nodige collega’s die momenteel in het buitenland kijken hoe het daar geregeld is en vanuit mijn kennis-adviesrol kijk ik veel naar buitenlandse doctrines, waaronder die van de Bundeswehr vanwege de integratie met de Nederlandse landmacht. Er zit nu een collega in het hoofdkwartier van de Duitse MP-school. We kijken ook naar Groot-Britannië en de VS, die veel ervaringen hebben opgeschreven. Van de Britten hebben we veel over het gevangenensysteem geleerd, toen zij nog onder Europese regelgeving vielen. We hoeven niet opnieuw het wiel uit te vinden. Bij de Amerikanen kunnen we bijvoorbeeld leren dat krijgsgevangenen na een oorlog niet naar huis willen, maar asiel aanvragen. Wat dan? Het is omvangrijk en dynamisch werk.’

Wat is een goede PM en welke eigenschappen moet die hebben?

Een PM moet steeds bereid zijn advies uit te brengen zonder zich te willen opdringen aan zijn commandant. In NAVO-termen zijn we een joint force multiplier en alle werkzaamheden die wij verrichten ondersteunen het gevecht. Wie van tevoren niet nadenkt over de omgang met gevangenen zal gevechtskracht verliezen. Niet plannen kan grote strategische gevolgen hebben. In het gevecht zelf kan de militaire politie helpen om de opdrachten uitgevoerd te krijgen. Wie niets zegt, wordt ook niets gevraagd, maar wie steeds bezig is over juridische processen verliest de aandacht. Een PM moet, net als de meeste stafofficieren, een balans vinden tussen zijn hand opsteken en de dingen op de achtergrond regelen. Het Military Police Centre of Excellence heeft een sheet waarbij op dit punt een meeuw wordt getoond: die moet hard genoeg schreeuwen zodat hij aandacht krijgt, maar niet zo prominent aanwezig zijn dat hij stoort. In de Nederlandse situatie kan de PM de CDS van handelingsopties voorzien omdat de KMar nu eenmaal veel verstand heeft van politiewerk in vredestijd. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat er een vergelijkbare werkwijze is bij de Dienst Speciale Interventies of in een veiligheidsregio, want de krijgsmacht treedt in het Nederlandse systeem als partner op. De PM heeft ook de rol van kennisadviseur bij Defensie op het gebied van stability policing en military policing. Zo begeleid ik momenteel de nieuwe doctrine-ontwikkeling rond het militair politie-optreden en ik houd contact met de instructeurs van de MP-opleiding die we aan het stroomlijnen zijn omdat de kwalificatieprofielen zijn ondergebracht bij een kennisadviseur. De PM van de NAVO heeft een soortgelijke rol richting het Centre of Excellence for Stability Policing en het Military Police Centre of Excellence. Voor ons in Nederland is het een relatief nieuwe manier van werken, maar er wordt ook een link gelegd met het werk van de NAVO-PM en dat voegt veel toe. We hebben deze functie bijna 50 jaar niet gehad in Nederland. De laatste MP-eenheid dateert van 2010, maar dat was op het laagste niveau. Daar was ik commandant van, tot die vanwege bezuinigingen werd opgeheven. We bouwen nu alles opnieuw: de landmacht krijgt eskadrons, de mariniers krijgen twee pelotons, samen met Duitsland gaan we een headquartersgroep maken. Dat opbouwen is een boeiende uitdaging.’

In de personele ontwikkeling van de marechaussee ziet de provost marshal een goede tendens. Foto MCD, Valerie Kuypers

De KMar is een organisatie waaraan weer volop wordt gebouwd.

‘Inderdaad, en in de personele ontwikkeling bij de KMar zie ik een goede tendens. Defensie kijkt ook of we de vraag die de NAVO ons gesteld heeft over het uitvoeren van MP-taken moeten uitvoeren. We proberen het eerste militaire politie-eskadron op 1 januari 2027 operationeel te hebben, het tweede precies een jaar later.’

Hoe is de relatie van de KMar met de samenleving?

‘De marechaussee staat heel dicht bij de samenleving, die steeds iets van de organisatie vraagt. Denk aan civiele zaken zoals de beveiliging van de Tweede Kamer, ofwel het politiewerk in het hogere geweldsspectrum. De KMar-werkzaamheden aan de grens trekken aan in het kader van het asieldebat, en dat terwijl hoofdtaak 1 ook aantrekt. Het is bijvoorbeeld interessant om nu met het Openbaar Ministerie in gesprek te zijn over knelpunten in regelgeving. Een krijgsgevangene van een ander land valt onder het militair tuchtrecht, maar de straffen daarin, zoals iemand niet naar huis sturen, of lichte geldboetes opleggen, werken dan uiteraard niet. Als iemand verdwaalt op het gevechtsveld – wat waarschijnlijk echt zal gebeuren in een oorlog – dan zou de KMar die militair moeten aanhouden vanwege het strafbare feit desertie, maar beter is hem mee te nemen naar het achterland om hem opnieuw in het personeelsopvoersysteem te krijgen. Op dit moment zijn er geen goede gronden om dat te kunnen doen. Bij dit alles speelt de waarborging van de rechten en belangen van de militair een grote rol. Ik heb veel contact met de mobiele rechtbank, die is ondergebracht bij het 1CMI Commando van de landmacht, en waarin we met juristen, rechters en de officier van justitie te praten over de ontplooiing van die eenheid in het gevechtsveld. Het is cruciaal om die rechtbank te hebben omdat die de bescherming van de belangen van de militair zo goed voor ogen heeft. Vaak wordt er toch meteen aan strafrecht gedacht en dat mensen die door de KMar worden onderzocht altijd meteen de pineut zijn. Een van onze juristen kijkt momenteel of Artikel 79 van het militair tuchtrecht zo kan worden aangepast dat de commandant meer eigenstandige mogelijkheden heeft.’

‘De strafrechtkant konden we altijd civiel laten, maar dat gaat onder oorlogsomstandigheden niet meer werken. De programmaleider militaire politie vroeg me twee jaar geleden daarover een oefening op te zetten en toen constateerden we dat ook: het is te veel gebaseerd op contact kunnen onderhouden met Nederland en zelfstandig door het gevechtsveld heen rijden en dat zal niet meer kunnen. Met het OM loopt nu een plan om een recherche-eskadron op te zetten dat militair in kan klikken, en hetzelfde geldt voor de militaire rechtbank. In de strafrechtketen kennen we entiteiten die een eigen verantwoordelijkheid hebben en onafhankelijk willen blijven, maar hoe integreer je die onafhankelijkheid dan in het militaire systeem dat er op gericht is het gevecht te winnen?’

Hoe kijkt de PM aan tegen de terugkeer naar hoofdtaak 1?

‘Ook onze civiele taken moeten we onder oorlogsomstandigheden blijven uitvoeren. Het is niet precies hetzelfde, maar het is ook niet compleet anders: we blijven grenzen bewaken en politietaken uitvoeren op luchthavens en onze beveiligingstaken doen. Mogelijk lopen we dan in blauwe camouflagepakken en met zwaardere wapens, maar we blijven dat werk doen. Aan de civiele kant kijken we naar hybride dreigingen en wat we daar kunnen doen. C-KMar ziet duidelijk een grotere rol dan in het verleden, bijvoorbeeld op het vlak van informatiedelen met de OPCO’s. Moeten we daarvoor de wetgeving veranderen, of kunnen we er gewoon afspraken over maken? De KMar is met de douane in gesprek of er onder oorlogsomstandigheden marechaussees vrijgemaakt kunnen worden. Met de Dienst Justitiële Inrichtingen kijken we naar het gevangenissysteem in Nederland. Denk breder aan de wervingscampagne van Defensie, die benadrukt dat niet iedere medewerker een wapen heeft, maar wel degelijk belangrijk werk verricht in het kader van hoofdtaak 1.’

‘De ondersteuning door het provost marshal office levert meerwaarde op’. Foto MCD, Maartje Roos

Wat is de grootste misvatting over de PM?

‘We zijn de politie van de krijgsmacht, zo zien mensen ons, als de instantie die onderzoek komt doen als er iets mis is. Ik benadruk dan de waarde van de KMar als joint force multiplier, bijvoorbeeld op het gebied van gevangenen: ik heb daar verstand van en kan niet alles doen, maar weet wel hoe je het moet organiseren. Ook kan de PM adviseren over verkeer of beveiligingstaken in het achterland waardoor manoevrecapaciteit wordt vrijgespeeld. Die ondersteuning levert meerwaarde op. Het zal nog wel even duren voordat dat echt in de genen van de krijgsmacht zit. We hebben hoofdtaak 1 lang niet gehad, dus je kunt het mensen niet kwalijk nemen dat ze zo denken. Momenteel maakt het een groot verschil of we ergens in het blauw of groen verschijnen. Juridisch is het hetzelfde, maar de beleving is anders.’

Was dit ooit uw droombaan?

‘Toen ik overstapte van de landmacht naar de KMar lag de focus meer op het civiele deel en dat trok mij aan. Het vroeg het nodige van mijn voorstellingsvermogen en creativiteit. Het was buiten op straat en allemaal nieuw, wat ik leuk vond om te doen. Het groene deel van de KMar heb ik altijd aantrekkelijk gevonden. Toen ik zelf brigadecommandant werd was dat als hoofd van de laatste militaire eenheid van de KMar; het was een enorme teleurstelling dat die werd wegbezuinigd. Overstappen naar de politie zou voor mij geen optie zijn, want ik zou het scheidingsvlak met de krijgsmacht te veel missen. Deze functie is daarom voor mij bijzonder interessant om te doen.’

Wat zou uw advies zijn aan een eventuele opvolger?

‘Mijn advies zou zijn om in de rangen die je doorloopt in het werk van de PM iets te doen. Zoek bijvoorbeeld stafwerk in een internationale staf. Zeker in landen die meer ervaring hebben in gevechtsomstandigheden kan dat zeer lonend zijn.’

Over de auteur(s)

Dr. Frans van Nijnatten

Frans van Nijnatten is eindredacteur van de Militaire Spectator.