Lang, lang geleden was ik batterijcommandant bij de 41 Pantserbrigade in het mooie plaatsje Seedorf.[1] Een brigade die, even een zijstapje, meer gevechtskracht had dan alles wat de landmacht heden ten dage op de mat kan leggen. Twee tankbataljons met meer dan 100 Leopard-2 tanks, een infanteriebataljon met meer dan 1000 man personeel met naast drie tirailleurcompagnieën drie pelotons eigen mortieren en drie pelotons eigen gepantserde antitank-middelen met lange dracht. Een eigen afdeling Veldartillerie en daarnaast nog een eigen pantsergenie-compagnie, eigen logistiek en een goed gevulde brigadestaf. Wie zegt dat vroeger alles slechter was? In ieder geval was er heel wat meer materieel, heel wat meer voortzettingsvermogen en zeer ruime oefenmogelijkheden. 

 

Was alles dan beter? Natuurlijk niet! Hoewel ik me kan voorstellen dat er nu brigadecommandanten zijn die likkebaardend mijn opsomming hebben gelezen, was een niet onaanzienlijk deel van de tijd van de gemiddelde compagniescommandant gevuld met het afdwingen van wat met een mooi woord ‘uiterlijke discipline’ werd genoemd. Ridicule eisen op dat gebied werden door hoger geplaatsten in de hiërarchie gebruikt om de kwaliteit van jonge pelotons- en compagniescommandanten vast te stellen bij gebrek aan betere graadmeters. 

 

We hebben het dan over de ‘eenheid van tenue’ waardoor soldaten die zware lichamelijke inspanningen moesten leveren precies dezelfde (warme) kleding aan moesten hebben als hun collega's die in de kou op wacht stonden. Waarbij er een militaire zomer en winter was, waarbij dus de datum en niet de temperatuur bepaalde of er korte mouwen of warme jassen gedragen mochten worden, over het dragen van binnenhelmen[2] in voertuigen en natuurlijk over de doodzonde als een soldaat buiten met een los knoopje, scheve baret of met zijn handen in zijn zakken werd gesignaleerd.

 

Dat alles splitste elke compagnie in twee groepen: aan de ene kant de beroepsmilitairen die – vaak halfhartig gesteund door het dienstplichtig kader – de hele dag bezig waren met ‘Baret op Jansen!’, ‘Handen uit je zak Pietersen’, ‘Knoopje van je zak dicht de Vries’, enzovoort te roepen en aan de andere kant de dienstplichtigen, die dit een vermakelijk kat-en-muisspel vonden en doorgaans de noodzaak niet inzagen. Bovendien waren er geen mobieltjes, whatsapps, mails of videosystemen, maar werden ‘meldingen’ in die tijd via analoge telefoon aan de dagkamer doorgegeven, waar de dienstdoende onderofficier van de dag dan actie moest nemen.

 

Een herhaaldelijk terugkerend ritueel in die tijd was bovendien dat collega’s van een oudere lichting de ‘verse’ wachtmeester van de dag een poets probeerden te bakken en hem opbelden, zich voordoende als de bataljons- of de brigadecommandant, en probeerden de eenheid te alarmeren of hem met een onwaarschijnlijke boodschap op pad te sturen. Op een kwade dag gebeurde dat ook bij mijn eenheid.

 

Een wachtmeester van de nieuwe lichting werd op autoritaire toon verordonneerd zich onmiddellijk bij de brigadestaf te melden (in gillende looppas) omdat de generaal een spoedopdracht had voor de batterijcommandant, die niet op zijn bureau was: dus niet bereikbaar. Toen de wachtmeester zich, met stoom uit de oren, in het stafgebouw bij de secretaresse van de generaal meldde, moest die dame slechts minzaam lachen. Ze kende haar pappenheimers. De wachtmeester voelde op dat moment nattigheid en elke twijfel werd weggenomen toen hij na het verlaten van het stafgebouw werd opgewacht door een handvol schaterende collega’s. Soldatenhumor.

 

Gepikeerd en enigszins beschaamd begaf de wachtmeester zich terug naar de dagkamer, waar nog meer soldaten hem gniffelend nawezen. Een geslaagde poets gaat snel rond. De wachtmeester nam zich plechtig voor om zich nóóit meer zo bij de neus te laten nemen. Lessons learned! 

 

Slechts enkele uren later liep een van mijn kanonniers in gedachten verzonken en met twee handen diep in de zakken gestoken over het kazerneterrein. Zijn route voerde langs het gebouw van de brigadestaf, waar de brigadecommandant op de eerste verdieping een fraai bureau had met een groot balkon, zodat hij vanachter zijn bureau door de dubbele glazen deuren een goed uitzicht had op ‘zijn legerplaats’. Het oog van de generaal, een oud-commando die niet als de soepelste bekend stond, viel op mijn kanonnier en zoals vaker, gooide hij de dubbele deuren van het balkon wijd open en riep met bulderende stem: ‘Hé Tinus, haal die handen uit je zakken!’, want Tinus was de aanspreektitel van elke soldaat van wie de generaal het naambordje niet kon lezen.

 

De kanonnier schrok, haalde zijn handen uit zijn zakken en keek schuldbewust naar boven, waarop de generaal vervolgde: ‘Wie is je compagniescommandant?’ Meestal kon die commandant een telefoontje verwachten met als strekking dat het blijkbaar een ongedisciplineerd zootje was in zijn eenheid gevolgd door het dringende verzoek om betrokkenen een douw te geven.[3] ‘Kapitein Matser generaal’, antwoordde de kanonnier. ‘En hoe heet jij?’ Brieste de opperofficier er achteraan. Waarop de kanonnier antwoorde: ‘Tinus generaal!’

 

Tientallen militairen die getuige waren van dit spektakelstuk schoten luidkeels in de lach door deze dappere gevatheid. Maar niet de generaal. Die bleef met stomheid geslagen staan, en voor hij zich hersteld had, had de kanonnier zich ijlings uit de voeten gemaakt. Het hoofd van de generaal had ondertussen een donkerrode kleur gekregen. Hij beende vloekend naar zijn bureau en probeerde met schuim op de lippen over zoveel brutaliteit die nietsvermoedende kapitein Matser te bellen. Maar die was niet op zijn bureau. Daarop belde hij de dagkamer, waarbij hij de juist daarvoor gefopte wachtmeester aan de telefoon kreeg, die hem uitlachte en er door de hoorn toevoegde: ‘Daar trap ik echt geen twee keer in, als jij de generaal bent ben ik de koningin’ en daarna de telefoon op de haak gooide. Het gebouw van de brigadestaf ontplofte in een nucleaire wolk.

 

Een kwartiertje later bereikte mij, achterop de voertuigplaat, het bericht van deze clusterfuck en de opdracht mij spoorslags naar het bureau van de generaal te begeven. Daar moest ik eerst een donderspeech van tien minuten over mij heen laten komen, voordat ik, nog enigszins verbouwereerd, wat mocht zeggen. Ik bracht voorzichtig naar voren dat er sprake was van een misverstand. De achternaam van de betrokken kanonnier was namelijk daadwerkelijk ‘Tinus’. De getergde brigadecommandant riep dat ik onmiddellijk moest opdonderen en dat ik die Tinus en die wachtmeester maar een douw moest geven. Dat laatste heb ik geloof ik niet gedaan.
 


[1] Laatst las ik dat generaal-majoor b.d. Tom Hovenier in 2023 op 90-jarige leeftijd was overleden. Dit bracht voor even mijn gedachten terug naar 1986.

[2] Dit was een functieloos kolderiek soort van kartonnen hoofddeksel, dat onder de stalen buitenhelm werd gedragen. 

[3] Bedoeld wordt een krijgstuchtelijke straf te geven.

Over de auteur(s)

Gepubliceerd in