Rusland verandert zijn methodes sneller dan wij onze aannames herzien. Het gat dat daardoor ontstaat is onderdeel van de dreiging geworden. Niet als bijkomend risico, maar als het centrale risico. De vraag is dan niet langer of we dit gat zien. We zien het, maar de vraag is wat dit betekent voor de manier waarop wij onze militaire formaties inrichten en laten optreden. Naar mijn overtuiging verdienen negen verschuivingen prioriteit boven alle andere. En ze houden pas echt stand als ze niet los van elkaar staan, maar door één en dezelfde logica worden gedragen.
Er is een economisch feit dat we te weinig hardop uitspreken: de Russische economie is, ondanks twee decennia groei, niet groter dan die van de Benelux of Italië. Toch is het de sleutel tot bijna alles wat Rusland doet. Rusland is geen wereldmacht in wording en ook geen supermogendheid. Het is een middelgrote macht met een groot kernwapenarsenaal en een nog grotere ambitie. Rob de Wijk noemt Rusland in De nieuwe wereldorde dan ook niet de strateeg. Dat predicaat reserveert hij voor China, dat welbewust decennia vooruitdenkt. Rusland noemt hij de ontregelaar.[1] Dat onderscheid is scherp en het is precies waar onze eigen aannames misgaan.
Een land dat structureel niet de economische diepte heeft om via opbouw een rol van betekenis te claimen, heeft maar één andere weg naar relevantie. En dat is ervoor zorgen dat niemand om hem heen kan. Niet door overtuigingskracht en niet door welvaart, maar door onvoorspelbaarheid tot instrument te maken.
De Krim. De inmenging in westerse verkiezingen. De beschadigde kabels in de Baltische Zee. De branden in Poolse magazijnen en de aanslagen op Poolse spoorwegen. En het bewerken van Russischtalige minderheden in de Baltische staten met narratieven over discriminatie en ‘bescherming van landgenoten’. Dit zijn geen losse incidenten meer. Dit is een bewust opgezette strategie. Het doel is niet één beslissende slag, maar een permanent geopolitiek instrumentarium dat naar believen kan worden op- en afgeschaald. Precies genoeg om ons voortdurend te dwingen rekening te houden met Moskou, maar nooit genoeg om een ondubbelzinnig antwoord van de NAVO uit te lokken. Dat is een precisie-instrument en geen bot wapen. Het werkt juist omdat het onder onze reactiedrempel blijft.
Dit is geen nieuwe Russische uitvinding. De Sovjet-Unie werkte al decennia met actieve maatregelen, desinformatiecampagnes en gerichte destabilisatie van bondgenootschappen. Nieuw zijn de schaal en de snelheid. Digitale netwerken, sociale media en de verwevenheid van onze infrastructuur bieden Moskou mogelijkheden die in de Koude Oorlog nog niet bestonden. Een kabel doorknippen kost weinig. De economische en psychologische schade die daarmee wordt aangericht, staat niet in verhouding tot die kosten. Precies die verhouding maakt ontregeling voor een middelgrote macht met beperkte middelen zo aantrekkelijk.
Er schuilt ook een boodschap in voor onszelf. Wij zijn geneigd macht af te meten aan de omvang van onze economie, onze bevolking en de hoogte van ons defensiebudget. Rusland, maar ook Oekraïne en de Houthi’s, laten echter zien dat een kleinere macht met de juiste methode grote schade kan aanrichten zonder ooit een conventioneel conflict te hoeven winnen. Dat is een ongemakkelijke les. Ze ondermijnt de geruststellende gedachte dat wij, met onze grotere gezamenlijke economie, per definitie de sterkere partij zijn. Op het niveau van ontregeling is die rekensom echter niet relevant.

Antonov-vliegtuigen op de luchthaven van Leipzig voor transporten naar Oekraïne. Duitsland heeft Rusland formeel beschuldigd van een mislukte aanslag op de toestellen in augustus en enkele sancties tegen Moskou ingesteld. Foto ANP/Picture Alliance, Hendrik Schmidt
Een andere logica dan de onze
Dit is een fundamenteel andere logica dan die waarop onze militaire eenheden zijn gebouwd. Onze formaties zijn opgeleid en ingericht om een aanval te herkennen, te lokaliseren en te beantwoorden. Wij denken in duidelijke beslispunten. Een grens die wordt overschreden. Een colonne die oprukt. Een moment waarop de wereld het eens wordt dat er iets gebeurt.
Ontregeling biedt dat moment nooit. Het is er juist op ontworpen om nooit duidelijkheid te bieden. Moskou opereert bewust in de ruimte onder onze drempels, wetende dat wij drempels nodig hebben om te mogen en kunnen handelen. Elke actie is net klein genoeg om geen Artikel 5-discussie te forceren, en net groot genoeg om effect te hebben. Dat is geen zwakte van Rusland. Dat is de kern van de strategie.
Onze eigen structuren versterken dit probleem. Besluitvorming binnen de NAVO vraagt consensus. Consensus vraagt tijd. Tijd is precies wat een ontregelaar nodig heeft om zijn volgende stap te zetten voordat wij de vorige hebben afgerond. Zolang ons antwoord gekoppeld blijft aan een proces van duidelijke beslispunten en eenduidige dreigingen, blijft elke kleine, ambigue actie van Moskou effectief. Niet omdat wij zwak zijn, maar omdat onze eigen procedures de tegenstander de tijd geven die hij nodig heeft.
Waarom wij naar oude antwoorden grijpen
Martijn Kitzen en Tim Sweijs beschrijven in De oorlog van morgen waarom wij zo moeizaam reageren op deze verandering.[2] Hun observatie is niet dat wij de trends niet zien. Dronezwermen aan de randen van Europa. Kunstmatige intelligentie die militaire taken overneemt. Desinformatie en sabotage van fysieke infrastructuur als vast onderdeel van het geweldsspectrum. Wij zien dit allemaal.
Hun observatie is dat westerse krijgsmachten, geconfronteerd met die verandering, keer op keer teruggrijpen naar vertrouwde oplossingen. Niet uit onwil, maar omdat vertrouwde oplossingen simpelweg makkelijker te begroten, te trainen en te verantwoorden zijn in plaats van een fundamenteel andere manier van denken over wat oorlog is geworden toe te passen. Een nieuw wapensysteem past in een bestaand verwervingstraject. Een nieuwe manier van denken past nergens in.
Precies die reflex, een nieuw probleem beantwoorden met een oud antwoord, legde de NAVO-oefening Hedgehog 2025 in Estland pijnlijk bloot. Tijdens die oefening, met ongeveer zestienduizend militairen uit twaalf NAVO-landen, schakelde een team van ongeveer tien Oekraïense drone-operators met dertig drones binnen enkele uren twee bataljons uit.[3] Niet omdat onze mensen tekortschoten, maar omdat onze formaties nog bewogen volgens de aannames van een wereld die niet meer bestaat. Namelijk die van grote colonnes, zichtbare commandoposten en geconcentreerde troepenformaties.
Dat laatste is misschien wel het meest ontnuchterende element. We wisten van drones. We hadden erover geschreven, erover gesproken en erop geoefend. En toch bewogen onze eenheden zich alsof de lucht boven hen nog steeds ons exclusieve domein was. Kennis van een dreiging én gedrag dat op die dreiging is aangepast, blijken twee heel verschillende dingen.

Hedgehog 2025 liet pijnlijk zien dat onze formaties bewogen volgens de aannames van een wereld die niet meer bestaat. Foto ministerie van Defensie Estland
Een collectieve keuze om niet voorbereid te zijn
Kitzen legt in De terugkeer van oorlog uit hoe we in die positie terecht zijn gekomen.[4] Zijn punt is niet primair tactisch, maar mentaal. Decennialang liet Europa het fenomeen oorlog bewust uit zijn aandacht verdwijnen. Schuilkelders gingen dicht, de dienstplicht werd opgeschort en er werd fors bezuinigd op de krijgsmacht. Dit gebeurde in de overtuiging dat oorlog iets was wat wij als continent ontgroeid waren, en dat het hooguit een kwestie van tijd was voordat andere landen ons voorbeeld zouden volgen. Andere landen en extremistische groeperingen deden precies daar hun voordeel mee. Onze afwezigheid van een dreigingsbeeld werd hun kans.
Dit is geen technisch verhaal over drones of algoritmes. Het is een verhaal over een collectieve keuze om niet meer voorbereid te zijn. Die keuze verklaart minstens zoveel van onze huidige achterstand als welke technologische verrassing dan ook. Een technologische achterstand kun je inhalen met geld en tijd. Een mentale achterstand vraagt de bereidheid om toe te geven dat een generatie lang de verkeerde aanname centraal stond.
Drie boeken, drie lagen met dezelfde diagnose
De Wijk verklaart waarom Rusland ontregelt. Kitzen en Sweijs verklaren waarom wij, eenmaal geconfronteerd met die ontregeling, hardnekkig naar oude antwoorden grijpen. Kitzen verklaart, in zijn recentste boek, waarom we onszelf in de uitgangspositie hebben gebracht waarin we die oude antwoorden nog steeds als vanzelfsprekend beschouwen.
Samen leveren ze een ongemakkelijke, maar heldere conclusie op. De tegenstander verandert zijn methodes sneller dan wij onze aannames herzien. Het gat dat daardoor ontstaat is onderdeel van de dreiging geworden. Niet als bijkomend risico, maar als het centrale risico.
De vraag is dan niet langer of we dit gat zien. We zien het, maar de vraag is wat dit betekent voor de manier waarop wij onze militaire formaties inrichten en laten optreden. Naar mijn overtuiging verdienen negen verschuivingen prioriteit boven alle andere. En ze houden pas echt stand als ze niet los van elkaar staan, maar door één en dezelfde logica worden gedragen.
Negen benodigde verschuivingen
1. De bevolking als slagveld
Waar Rusland Russischtalige gemeenschappen in bondgenootschappelijk gebied bewerkt met narratieven van verwaarlozing en dreiging, kunnen we daar in louter militaire termen niets tegen uitrichten. Deze dreiging tegen de bevolking vraagt om vroege herkenning van desinformatiepatronen, om samenwerking met lokale bestuurders en gemeenschapsleiders, en om zichtbare, geloofwaardige aanwezigheid juist in die regio’s. Niet pas nadat de narratieven al wortel hebben geschoten. Een militaire formatie die deze dimensie alleen aan inlichtingendiensten of aan hoofdsteden overlaat, mist de helft van het slagveld waarop de tegenstander daadwerkelijk actief is. Dit is geen taak erbij. Dit is een kerntaak die we nog onvoldoende als zodanig herkennen.
In de Baltische staten is dit geen theorie. Russischtalige gemeenschappen krijgen dagelijks een narratief voorgeschoteld waarin de eigen staat hen verwaarloost of bedreigt, en waarin Rusland zich opwerpt als beschermer. Militaire aanwezigheid alleen weerlegt dat narratief niet. Zichtbare, geloofwaardige aanwezigheid die samengaat met investering in de lokale gemeenschap, wel. De strijd om het narratief is net zo bepalend als de strijd om het terrein, maar het militaire gedrag dat daarbij hoort is structureel anders. Dat vereist meer aanwezigheid buiten de kazernes, meer samenwerking met lokale instanties en een inlichtingenfunctie die vroegtijdig patronen herkent in plaats van pas reageert nadat het narratief al is ingesleten.

Oefening in Litouwen. In de Baltische staten weerlegt alleen militaire aanwezigheid het Russische narratief niet. Foto MCD
2. Structurele samenwerking met én in de samenleving
Dit is de verschuiving die de andere verschuivingen pas echt laat werken. Niet als los liaison-element naast het militaire optreden, maar als één geïntegreerd geheel.
Verspreide eenheden hebben civiele infrastructuur en lokale informatie nodig om effectief te zijn. Snelle reactiecapaciteit tegen sabotage is zonder civiele meldketens en samenwerking kansloos. Het herkennen van narratieven in kwetsbare gemeenschappen lukt alleen met lokaal bestuur, onderwijs en media. Innovatie en nieuwe technologie heeft evengoed civiele kennis en industrie nodig als militaire expertise. En structureel voortzettingsvermogen, denk aan reserves, industrie en civiele weerbaarheid, is per definitie een civiel-militair vraagstuk en geen zuiver militair vraagstuk.
3. Onze eigen drempels serieus nemen
Wat is nu wél en wat is geen aanval, voordat Artikel 5 in beeld komt? Deze drempel wordt door de tegenstander even zorgvuldig bestudeerd als door onszelf. Zolang die drempel vaag blijft, blijft ontregeling voor Rusland de goedkoopste vorm van invloed die het land zich kan veroorloven.
Door onze eigen onduidelijkheid dragen we bij aan onze eigen dreiging. Een scherper gedefinieerde drempel, ook als die bewust hoog ligt voor bepaalde categorieën incidenten, ontneemt de tegenstander een deel van de ruimte waarin ontregeling nu zo goed gedijt.
4. Hyperadaptiviteit toepassen
Hiermee doel ik op het vermogen om nieuwe technologie, zoals drones, AI-ondersteunde besluitvorming en softwaregedreven elektronische oorlogvoering, niet eenmalig in te voeren maar continu te herzien. Met als enige doel het initiatief zo snel mogelijk te grijpen en, belangrijker nog, vast te houden.
Tegen een tegenstander die zijn methodes sneller verandert dan onze verwervingstrajecten toestaan is de organisatie die het snelst leert en aanpast in het voordeel, ongeacht wie op enig moment het beste materieel heeft. Dat vraagt om experimenteerruimte, korte innovatiecycli en een cultuur waarin falen tijdens het testen goedkoper is dan vasthouden aan wat gisteren werkte. Dit is een organisatieprincipe, geen technologieprogramma. Het raakt aan hoe we besluiten nemen, niet alleen aan wat we kopen.
De oorlog in Oekraïne laat zien hoe snel dit kan gaan als de organisatie het toelaat. Drone-ontwerpen veranderen daar in dagen, niet in jaren. Software wordt in het veld aangepast op basis van wat die week wel en niet werkt. Onze eigen standaard verwervingstrajecten, met lange programma’s van eisen en langlopende contracten, zijn onvoldoende ontworpen voor dat tempo. Dat betekent niet dat we elk verwervingsproces moeten afschaffen. Het betekent wel dat er, naast de grote, langlopende programma’s, ruimte moet zijn voor een kleinere en snellere aanpak. Een aanpak met beperkte budgetten, korte doorlooptijden en de bevoegdheid om op eenheidsniveau te experimenteren zonder voor elke aanpassing terug te hoeven naar Den Haag.
We moeten er bovendien voor waken om alleen te leren van wat nu al werkt in Oekraïne. Wat als counter-drone maatregelen op afzienbare termijn zo effectief worden dat drones veel minder bruikbaar zijn? We moeten innovatie zo inrichten dat we ook dan snel het initiatief kunnen hernemen en behouden, zodat we Rusland blijvend met dilemma’s kunnen confronteren, ook op tactisch en operationeel niveau. Onze militaire capaciteiten moeten dus niet streven naar een ontwikkeling van versie 1.0 naar 1.3, maar van 1.0 naar 3.0.
5. Van geconcentreerde naar verspreide slagkracht
Als ontregeling wint bij onvoorspelbaarheid, dan winnen wijzelf bij het onvoorspelbaar maken van ons eigen optreden. Grote, zichtbare formaties vormen voor een drone en voor een sabotagenetwerk hetzelfde soort doelwit. Ze zijn makkelijk te vinden, makkelijk te volgen en makkelijk te raken.
Kleinere, verspreide eenheden zijn moeilijker op te sporen en moeilijker in één klap uit te schakelen. Dit vraagt om een andere balans tussen massa en spreiding dan waarop onze huidige formaties zijn gebouwd. Niet minder slagkracht, maar slagkracht die zich anders presenteert aan een tegenstander die juist op herkenbare patronen jaagt.
Naast de Israëliërs en de Amerikanen in recente conflicten, hebben ook wij in de oefening Hedgehog 2025 deze les op de hardst mogelijke manier geleerd. Dezelfde twee bataljons die eerder al genoemd werden, vormden juist door hun concentratie en herkenbaarheid het doelwit dat dertig drones konden uitschakelen. Diezelfde slagkracht, verspreid over kleinere, mobielere eenheden met eigen sensoren, electronic-warfarecapaciteiten en eigen luchtverdediging, was voor diezelfde drones een fundamenteel ander probleem geweest. Spreiding kost coördinatie en coördinatie kost oefening. Maar het alternatief, vasthouden aan concentratie omdat dat historisch effectiever was tegen een conventionele tegenstander, is precies de reflex die Kitzen en Sweijs beschrijven.

Kleinere, verspreide eenheden zijn moeilijker op te sporen en moeilijker in één klap uit te schakelen. Dit vraagt om een andere balans tussen massa en spreiding dan waarop onze huidige formaties zijn gebouwd. Foto MCD
6. Reactiecapaciteit loskoppelen van zware gevechtscapaciteiten
Een militaire formatie die alleen kan reageren via zijn zwaarste middelen, reageert per definitie te laat en mogelijk disproportioneel op een tegenstander die welbewust klein en deniable opereert. Je stuurt geen brigade af op een gesaboteerde spoorlijn.
Er is een aparte, snel inzetbare capaciteit nodig, die samen met civiele capaciteiten kan handelen binnen uren, niet dagen. Specifiek gericht op sabotage en hybride activiteiten, met een eigen afgestemd mandaat en een eigen besluitvormingslijn. Zonder dat mandaat loopt elke reactie vast in dezelfde procedures die voor een klassieke aanval zijn ontworpen, en die voor dit soort incidenten simpelweg te traag zijn.
Denk aan de eerder genoemde incidenten in Polen en de Baltische Zee. In beide gevallen duurde het dagen voordat duidelijk was wie verantwoordelijk was, en nog langer voordat een reactie volgde. Tegen die tijd had de tegenstander zijn punt, namelijk onvoorspelbaarheid en straffeloosheid, in één actie allang gemaakt. Een snelle reactiecapaciteit hoeft niet elk incident militair te beantwoorden. Ze moet wel razendsnel kunnen vaststellen wat er is gebeurd, wie erbij betrokken was, en welke opties er zijn, zodat politieke besluitvorming niet vertraagd wordt door een gebrek aan feiten.
7. Logistiek als een noodzaak, niet als vanzelfsprekendheid
Een tegenstander die uit is op ontregeling, slaat toe waar de schade het grootst is voor de laagste kosten. Dat is zelden tegen een gevechtscapaciteit. Vaker is dat tegen een depot, een spoorlijn of een internetkabel. De voorbeelden zijn al in het nieuws geweest.
Onze planning gaat nog te vaak uit van logistiek als een gegeven, iets dat er gewoon is. Die aanname was al niet juist, maar klopt nu helemaal niet meer. Logistieke knooppunten verdienen dezelfde beveiligingslogica als operationele hoofdkwartieren, omdat de tegenstander ze inmiddels ook zo behandelt. Dat vraagt niet alleen om logistiek serieuzer te nemen. Het vraagt ook om de durf om bestaande standaarden los te laten. Niet elke norm die in vredestijd of tijdens stabilisatiemissies werkte, is haalbaar in een langdurig, gewapend conflict met Rusland. Vasthouden aan een norm die niet meer haalbaar is, kost meer dan hij oplevert. Hij wekt een schijnzekerheid die op het moment zelf instort.
Neem de medische zorgketen. Onze normen voor zorg binnen een vastgestelde tijd gaan uit van een beheersbare context en een functionerende afvoerketen. Onder de dreiging van drones, raketten, verstoorde verbindingen en verspreide formaties is die keten niet meer gegarandeerd te sluiten. Dit gaat niet over het verlagen van onze ambitie voor gewonden. Het gaat over eerlijk erkennen dat een enkele, centrale keten dat niet meer waarborgt. We moeten dus investeren in een systeem dat die gebreken kan opvangen om de overlevingskansen van onze militairen zo goed mogelijk te waarborgen. Vasthouden aan de oude norm zonder die investering legt een onrealistische druk op eenheden en op de zorgverleners zelf en ondermijnt het vertrouwen van onze militairen in het systeem zodra de norm structureel niet wordt gehaald.
Hetzelfde geldt voor onze onderhoudsdoctrine, die nog grotendeels uitgaat van centrale werkplaatsen waar materieel voor reparatie naartoe kan. In een omgeving waarin juist die knooppunten doelwit zijn, is dat een aanname die het conflict zelf al heeft ingehaald. En het geldt voor onze voorraadnormen. De genormeerde Days of Supply zijn berekend op een werkende bevoorradingsketen. Dat volstaat niet tegen een tegenstander die bewust op onze bevoorrading aast.

Onze planning gaat nog te vaak uit van logistiek als een gegeven, iets dat er gewoon is. Die aanname was al niet juist, maar klopt nu helemaal niet meer. Foto MCD
Deze normen loslaten en herbezien is geen bezuiniging en geen kwaliteitsverlies. Het is erkennen dat een norm die niet meer haalbaar is, geen norm meer is, maar een blinde vlek. Ook op dat gebied moeten we logistiek serieuzer nemen.
8. Voortzettingsvermogen herstellen
Een militaire formatie kan nog zo slim worden ingericht, als de gereedheid en de vereiste aanvullingen, de defensie-industriële basis en de maatschappelijke weerbaarheid onvoldoende zijn, mist zij precies het uithoudingsvermogen dat ontregeling het meest test.
Dit voortzettingsvermogen hebben we in de vredesdividend-jaren welbewust afgebouwd. Het is geen tekort dat je in een jaar met geld alleen herstelt. Het vraagt reservecapaciteit, industriële diepte en een samenleving die begrijpt waarom dit nodig is. Ontregeling is per definitie een strategie van de lange adem. Wie daar geen lange adem tegenover zet, verliest uiteindelijk, ook zonder ooit een directe confrontatie te verliezen.
Voorraden, personeelslogistieke ketens, onderhoudscapaciteit en de industriële basis om verliezen aan te vullen klinken minder aansprekend dan een nieuw wapensysteem. Ze zijn echter wel bepalend voor de vraag of een militaire formatie een langdurige campagne van kleine, aanhoudende druk kan doorstaan. Rusland rekent er niet op dat wij één klap niet kunnen incasseren. Het rekent erop dat wij, na een reeks kleine klappen verspreid over jaren, murw raken en zelf de prijs van voortdurende paraatheid te hoog gaan vinden. Voortzettingsvermogen is daarmee niet alleen een logistiek vraagstuk, maar ook een vraagstuk van militair, politiek en maatschappelijk volhouden.
9. Operationeel raamwerk in balans, en altijd multi-domein
Dit is de negende en misschien meest onderbelichte verschuiving. De eerste acht gaan vooral over de nabije operatie en de achtergebiedsoperatie, over kleinere eenheden, snelle reactiecapaciteit, voortzettingsvermogen en bescherming van logistiek. Dat betekent niet dat de klassieke, zware middelen overbodig zijn. Zonder tanks, artillerie en luchtverdediging houdt geen enkele formatie, hoe adaptief ook, stand tegen een grootschalige aanval. En zonder geloofwaardige tegenmacht wordt een ontregelaar een sloper.

Russische raketten treffen Kyiv op 8 september. Rusland kiest niet toevallig voor ontregeling boven een grootschalig treffen met de NAVO. Dat het land al meer dan vier jaar een grootschalige, conventionele oorlog voert tegen Oekraïne spreekt dat niet tegen. Foto ANP, Mladen Antonov
Rusland kiest niet toevallig voor ontregeling boven een grootschalig treffen met de NAVO. Dat het land al meer dan vier jaar een grootschalige, conventionele oorlog voert tegen Oekraïne spreekt dat niet tegen. Oekraïne beschikt over een fractie van de gezamenlijke slagkracht van het bondgenootschap, en zelfs die oorlog drukt de Russische economie inmiddels tot aan de grens van wat ze kan dragen. Een langdurige, conventionele oorlog tegen de NAVO kan Rusland economisch niet dragen. Ontregeling levert tegen de NAVO hetzelfde strategische effect op, maar tegen een fractie van de kosten. Maar dominant betekent niet exclusief. Onze formaties moeten daarom op twee borden tegelijk kunnen schaken. Dat is het bord van aanhoudende, ambigue druk, en het bord van een daadwerkelijk gewapend treffen, mocht ontregeling escaleren.

Onze formaties moeten tegelijk kunnen schaken op het bord van aanhoudende, ambigue druk, en het bord van een daadwerkelijk gewapend treffen, mocht ontregeling escaleren. Foto MCD
Voor dat tweede bord is een betere balans nodig binnen het operationeel raamwerk, tussen de achtergebiedsoperatie, de nabij operatie en de diepe operatie. De eerste acht verschuivingen versterken vooral de eerste twee. Dat is onmisbaar, maar niet voldoende. Zodra het tot een treffen komt, is het net zo bepalend dat wij de tegenstander diep in zijn territorium kunnen vinden, volgen en treffen, voordat hij ons eigen gebied bereikt. Dat vraagt om betere inlichtingen, meer sensoren en meer deep-strike capaciteiten.
Al deze activiteiten moeten bovendien altijd onderdeel zijn van multi-domeinoperaties, niet als extra laag, maar als voorwaarde. Ontregeling is zelf al multi-domein. Een tegenstander die vrij tussen domeinen beweegt, wordt niet gestopt door een verdediging die slechts in enkele domeinen sterk is. Zonder die integratie blijft elke investering, hoe goed bedoeld ook, een geïsoleerde capaciteit die de tegenstander eenvoudig omzeilt.
Dat is de voorwaarde waaronder de eerste acht verschuivingen standhouden, mocht ontregeling ooit omslaan in iets groters. Maar wie alleen daarop rekent, ziet iets fundamenteels over het hoofd. Een formatie die uitsluitend is ingericht op de oorlog die Rusland zich economisch niet kan permitteren, mist de oorlog die het zich wél kan permitteren. En die het al voert tegen de Baltische staten, tegen Polen, en in mindere mate ook tegen ons.
Wat dit vraagt van ons denken
De negen verschuivingen hierboven zijn geen wensenlijst. Het zijn keuzes die met elkaar samenhangen en die vragen om een andere manier van plannen dan waarop onze huidige militaire organisatie is gebouwd. De klassieke dreigingsanalyse gaat uit van een tegenstander die zich op enig moment onmiskenbaar toont. Ontregeling is ontworpen om dat moment te vermijden.
Wie deze negen verschuivingen apart van elkaar organiseert, verliest precies de snelheid en focus die nodig zijn om het initiatief te pakken en te houden. Wie ze bewust tot één systeem samensmeedt, over alle domeinen heen en geïntegreerd in een operationeel raamwerk, heeft een reële kans om in deze competitie sneller te zijn dan de ontregelaar zelf. We zullen dus ook midden in én met de samenleving moeten optrekken.
Dat vraagt niet om meer van hetzelfde, sneller uitgevoerd. Het vraagt om een andere vraag vooraf. Wat doen wij, als de tegenstander er juist voor kiest om nooit dat ene heldere aanvalsmoment te bieden waarop onze hele organisatie is voorbereid? Wie die vraag structureel stelt, bij elke oefening, elke aanschaf en elke reorganisatie, bouwt vanzelf toe naar de negen verschuivingen die hierboven staan.
Dat economische plafond, niet groter dan de Benelux of Italië, verdwijnt ook de komende jaren niet. Het verandert niets aan de dreiging die ervan uitgaat. Het verklaart alleen waarom die dreiging een andere vorm aanneemt dan wij gewend zijn te herkennen. Wie dat onderscheid eenmaal ziet, kan niet meer terug naar het oude denken. En dat is precies waar de opgave voor ons begint.
Luitenant-generaal Jan-Willem Maas is Commandant van het Defensie Ondersteuningscommando (DOSCO). Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.
[1] Rob de Wijk, De nieuwe wereldorde. Hoe China sluipenderwijs de macht overneemt (Amsterdam, De Arbeiderspers, 2019).
[2] Martijn Kitzen en Tim Sweijs, De oorlog van morgen (Amsterdam, Balans, 2025).
[3] Jillian Kay Melchior, ‘Ukrainian Troops Defeated Opponent With Drones at 2025 NATO Exercise’, The Wall Street Journal, 13 februari 2026; zie ook de Nederlandse berichtgeving over NAVO-oefening Hedgehog 2025 in Estland.
[4] Martijn Kitzen, De terugkeer van oorlog. Pleidooi voor de verdediging van vrede (Amsterdam, Cossee, 2026).