In de hal van het hoofdkantoor van de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA) is de inscriptie te lezen: ‘And ye shall know the truth and the truth shall make you free’ (en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken). Deze tekst uit het Nieuwe Testament is het officieuze motto van deze geheime dienst. Menig CIA-ambtenaar ziet hierin een oproep steeds ‘de waarheid’ te spreken tegenover hun opdrachtgever: de Amerikaanse regering. Dit streven vormt een rode draad in The Spymasters, een boek over ’s werelds grootste geheime dienst, die sinds zijn oprichting in 1947 waar dan ook op aarde gebeurtenissen probeert te beïnvloeden en zo zijn stempel drukte op het Amerikaanse buitenland- en veiligheidsbeleid tijdens de Koude Oorlog en het navolgende tijdsbestek.

Chris Whipple, Amerikaans politiek-onderzoeksjournalist en producer van de filmdocumentaire The Spymasters. CIA in the Crosshairs, beschrijft in deze boekuitgave het functioneren en ‘waarheidspreken’ van twaalf CIA-directeuren die vanaf 1966 dit ambt hebben bekleed. Hij doet dit aan de hand van interviews met oud-directeuren als Robert Gates, die aanvang jaren 90 uitmuntte als reorganisatiemanager, George Tenet, die in 2003 averij opliep na geleverde misinformatie over de Iraakse massavernietigingswapens, en de controversiële Mike Pompeo, bondgenoot van oud-president Donald Trump. Tevens komen CIA-medewerkers en functionarissen uit de overige Amerikaanse inlichtingenwereld aan het woord, naast voormalig (vice)presidenten als Jimmy Carter en Dick Cheney.

Directeuren en CIA-organisatie

CIA-directeuren worden door het Amerikaanse staatshoofd aangesteld, zijn direct aan hem verantwoording verschuldigd en dienen cruciale gegevens aan te dragen voor besluitvorming in het buitenlandbeleid. Hij of zij is het ook die in voorkomende gevallen, ‘must tell the president what he doesn’t want to hear’. Whipple toont met verve dat de achtergronden van de soms kleurrijke CIA-directeuren uiteenlopen van ervaren inlichtingenofficieren tot onwetende, maar soms drammerige politici en eigenwijze technocraten. Zij sturen een taaie, bureaucratische moloch aan. Hoewel de organisatie veelal toegewijd en met vaderlandsliefde behept personeel telt, kent ze twee hoofdgroepen met een sterk onderscheidende cultuur: analisten en agenten. Kortom, aldus de auteur, respectievelijk lieden met introverte én extraverte karakters. Analisten verzamelen informatie over andere landen dankzij spionnen, maar vaker (ook) door gewoon de lokale media te volgen. De door hen vergaarde informatie en analyse wordt overigens meer dan eens door politici genegeerd. In andere gevallen staan analisten onder politieke druk bepaalde scenario’s te voorspellen, met alle gevolgen van dien voor hen wanneer zaken niet in het voordeel van beleidsmakers uitpakken. De agenten typeert Whipple kortweg als zij die ‘practice deception and seduction, enticing strangers to betray their countries’. Ook constateert hij dat de CIA-managers bij hun aantreden intern met gering enthousiasme worden begroet. Wanneer de nieuwe directeur een buitenstaander is bejegent de dienst deze met onverholen wantrouwen. Insiders hebben het nauwelijks makkelijker: van hen wordt vermoed dat ze domweg prima thuis zijn in het ‘systeem’ en met hun ellenbogen werkend de weg omhoog hebben weten te vinden.

Inlichtingen en analyse

Uit The Spymasters komt naar voren dat menig CIA-directeur in zijn taak wordt belemmerd door politieke en bureaucratische manoeuvres van het Witte Huis, dat partijpolitieke zaken et cetera boven nationale belangen plaatst of hier een geheel eigen kijk op heeft. De CIA mag er daarbij soms van worden verdacht mee te luisteren met vertrouwelijke gesprekken van wereldleiders, maar wordt, zoals Whipple illustreert, meer dan eens buitengesloten van regeringsoverleg over inlichtingenzaken. De vrees buiten relevante politieke besluitvorming te worden gehouden is de nachtmerrie van elke CIA-directeur en zijn dienst. Het is voor deze organisatie lastig de bestuurlijke macht te confronteren met minder goed nieuws, indien ze niet wordt betrokken bij inlichtingen gerelateerde overlegsessies. Whipple stelt dat dit de CIA-leiding er soms toe brengt creatief met gegevens om te gaan, opdat de dienst alsnog in beeld komt bij de politieke top. Met dit risico af te glijden naar ‘politicization’ van aan het Witte Huis te leveren informatie lijkt, als we de auteur mogen geloven, nagenoeg elk van de behandelde CIA-directeuren te hebben geworsteld.

Zo raakt directeur Richard Helms in de late jaren 60 inzake de Vietnamoorlog verstrikt in politieke belangen in Washington en wordt hij onder druk gezet door de regering. Hij weet dat de kansen op een goede afloop van de strijd afnemen, terwijl een ongedurige president Lyndon Johnson (1963-1969) verlegen zit om goed nieuws. Helms legt hierop Johnson pas laat en mondjesmaat analyses over het strijdverloop voor. Latere inlichtingenmanagers krijgen met presidenten van doen die de CIA voor eigen politieke doeleinden wilden gebruiken wat betreft dreigingsanalyses van ‘schurkenstaten’ als Noord-Korea, Iran of Irak. Whipple wijst er bijvoorbeeld op dat George Tenet, directeur in de aanloop naar de Irakoorlog van 2003, ‘didn’t always challenge the administration’s lies’ over vermeende massavernietigingswapens van het regime in Bagdad.

Geheime operaties

Naast het aanreiken van info en analyse zijn undercoveroperaties eveneens een middel voor de CIA om bij het Witte Huis invloed te verwerven. Het bureau heeft een tweeledige missie: gebruik maken van het eigen instrumentarium om meer inzicht in de buitenwereld te krijgen en deze waar nodig met geheime operaties beïnvloeden. Directeuren moeten daarom balanceren om beide doelstellingen te bereiken. Voor beleidsmakers zijn undercoveroperaties in bepaalde netelige buitenlandkwesties een uitkomst. Zoals Gates het uitdrukt: ‘The State Department would recommend the use of military force. The Defense Department would recommend diplomacy. And when they couldn’t agree, everyone would decide, ‘Let the C.I.A. do a covert action’’. Voor doortastende directeuren biedt dit de mogelijkheid henzelf en de dienst onmisbaar te maken voor hun staatshoofd. Met de wens van president Ronald Reagan (1981-1989) ‘to fight Communism around the world’, ziet een directeur als William Casey volgens Whipple dan ook zijn kans schoon dankzij omvangrijke operaties van Afghanistan tot in Tsjaad uit te groeien tot een van de invloedrijkere directeuren. Na de aanslagen van 9/11 neemt het aantal CIA-operaties verder toe. Het bureau heeft een prominente rol in de val van het Talibanregime alsook bij het opsporen, ondervragen en doden van terroristen, al dan niet met het nieuwe dronewapen. Maar hoe succesvol deze operaties in hun totaliteit zijn en het Westen daadwerkelijk meer veiligheid brengen blijft, gelet op geheimhouding, oncontroleerbaar, zo verzucht ook Whipple.

Congres

Naast het moeten jongleren met een op politiek scoren beluste president en zijn entourage, stipt Whipple aan dat een CIA-directeur toenemend verantwoording aflegt aan een wispelturig Congres. Tot aanvang jaren zeventig had de volksvertegenwoordiging weinig zicht, laat staan grip op de CIA-activiteiten. Dit verandert in september 1973. De nieuwe directeur William Colby overhandigt met het oog op hervormingen het Congres een omvangrijke lijst, de zogenoemde ‘family jewels’, die openheid geeft over hoezeer de dienst tevoren zijn mandaat te buiten ging door onwettelijk en vaak ongegrond Amerikanen te bespioneren. Ook openbaart hij illegale buitenlandse operaties als de door president Richard Nixon (1969-1974) verordonneerde ondermijning van de democratisch verkozen Chileense president Salvador Allende. Dat deze operaties ongecontroleerd konden plaatsvinden, schreef Colby destijds toe aan de toen vergaande compartimentering van de CIA-organisatie, waardoor eenheden en leidinggevenden onbekend waren met handelingen van anderen.

Kort hierna volgt regelgeving waarmee er meer toezicht van het Congres op buitenlandse inlichtingenactiviteiten mogelijk is en er een verbod komt op politieke moord als beleidsinstrument. Whipple werkt deze ontwikkelingen helaas niet uit. Zelfs wanneer hij het doden in januari 2020 van de Iraanse generaal-majoor Qassim Suleimani aanhaalt, houdt de auteur, naast een sneer naar het gedwee volgen van president Trump door CIA-directeur Gina Haspel, zijn kruit in deze droog.

De betere spionageroman?

Hoewel Whipple opmerkt dat de CIA de afgelopen decennia geenszins ‘bungled its way through’, doet de auteur weinig om dit laatste beeld te bestrijden. Gaandeweg het boek kan de lezer zelfs het gevoel krijgen dat er weinig inlichtingensuccessen van de CIA te melden zijn. De auteur behandelt diverse gemiste mogelijkheden, wandaden en mislukte missies (waarbij het overigens meer om politiek falen lijkt te gaan dan inlichtingenmissers), maar vermeldt slechts sporadisch successen zoals het doden in 2011 van al-Qaida-kopstuk Osama bin Laden. Uitweidingen over de inlichtingeninspanningen die zijn gepleegd om tot een dergelijke type inzet te kunnen overgaan ontbreken evenwel. Ook laat Whipple na uit te werken hoezeer undercoveroperaties die losstaan van nationaal langetermijnbeleid en strategie, naast tactisch kortetermijnsucces uiteindelijk geen oplossing bieden en zelfs averechts kunnen uitpakken.

Het ontbreken van dergelijke analyse lijkt te zijn toe te schrijven aan het gegeven dat The Spymasters in het verlengde ligt van Whipple’s eerdere gelijknamige filmdocumentaire. Deze aanpak maakt dat uitdieping van bepaalde onderwerpen uitblijft, iets waar juist een boek meer gelegenheid toe geeft dan een documentaire. Het boek had zo aan wetenschappelijk gewicht kunnen winnen. Niettemin is The Spymasters een toegankelijk en met vaart geschreven boek, dat een prima opstap is voor eenieder met belangstelling voor het functioneren van geheime diensten en de soms gespannen relatie tussen dergelijke organisaties en de politieke leiding. Whipple’s werk is hiermee een prima middenweg tussen een officiële studie over inlichtingendiensten en de betere spionageroman.

Dr. A.J. van der Peet, NIMH

The Spymasters

How the CIA Directors Shape History and the Future

Door Chris Whipple

New York (Scribner) 2020

416 blz. – ISBN 9781982106409

 

 

Over de auteur(s)

Dr. A.J. van der Peet

Anselm van der Peet is senior wetenschappelijk medewerker bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie.