Onlangs werd in de Verenigde Staten een niet eerder gepubliceerd ooggetuigenverslag gevonden van de Japanse priester Kiyoshi Tanimoto. Daarin beschrijft hij de gevolgen van de Amerikaanse atoombom op Hiroshima van 6 augustus 1945. Recent verschenen onder de titel Hiroshima, 8:15, het tijdstip waarop de bom ontplofte, schrijft de geestelijke onder meer over zwarte regendruppels die ‘als olie’ uit de lucht kwamen. Aan dat soort gruwelijke beschrijvingen – zowel in woord als beeld – ook geen gebrek in Richard Overy’s indrukwekkende Rain of Ruin. Tokyo, Hiroshima, and the Surrender of Japan. De auteur verwijst bijvoorbeeld naar de volgende beschrijving van de slachtoffers: ‘They did not look like human beings. Their hair stood straight up; their clothes were tattered or they were naked. All were bleeding, burned, blackened, and swollen. Parts of their bodies were missing, flesh and skin hanging from their bones, some with eyeballs hanging in their hands, and some with their stomachs burst open, their intestines hanging out’ (blz. 87-88).
Radicaliseringsproces
Overy, die eerder naam maakte met boeken over de ‘Battle of Britain’, de Neurenbergprocessen en vooral de boeken Why the Allies Won (1995) en Blood and Ruins. The Great Imperial War, 1931-1945 (2022) maakt in het beknopte, maar daarom niet minder diepgaande Rain and Ruin overtuigend duidelijk dat de atoombommen op Hiroshima en drie dagen later Nagasaki het gevolg waren van een radicaliseringsproces dat zich in 1945 bij de Amerikaanse legerleiding voltrok. In de nacht van 9 op 10 maart van dat jaar bombardeerden de Amerikanen Tokyo met napalm- en brandbommen, waarbij tussen de 80.000-100.000 mensen om het leven kwamen. De drie bombardementen waren de dodelijkste van de Tweede Wereldoorlog. De auteur vraagt zich af waar die radicalisering vandaan kwam en of het überhaupt een optie was de atoombom niét te gebruiken.
Al meteen in de inleiding zet hij stevig, maar overtuigend in. Al in november 1941, nog vóór de Japanse aanval op Pearl Harbor, stelde George Marshall, chef van de Amerikaanse Generale Staf, dat áls er oorlog met Japan zou komen, de ‘papieren steden’ van Japan in brand zouden worden gezet. Sterker nog: ‘There won’t be any hesitation about bombing civilians – it will be all-out’ (blz. ix). Overy merkt fijntjes op: ‘Marshall’s claim that the bombing would be ‘all-out’ was the one promise redeemed’ (blz. x).
Area bombing
Hoe eind 1941 toekomstige bombardementen op Japanse steden eruit moesten zien – ze bleven in de praktijk een Amerikaans monopolie, en morele opvattingen lijken nauwelijks een rol van betekenis te hebben gespeeld – was al ontwikkeld lang voordat de Amerikanen überhaupt de capaciteiten hadden ze daadwerkelijk uit te voeren; dat werd pas mogelijk vanaf de zomer van 1944. Tot die tijd hadden de Amerikanen bijvoorbeeld serieuze plannen – ondersteund door president Roosevelt – om vleermuizen te gebruiken: ‘To carry small incendiary bombs to Japanese towns, where they would find ‘dark crevices’ to nestle in, starting fires inaccessible to the fire services’ (blz. 8).
Overy laat zien dat de Amerikanen aanvankelijk hun bedenkingen hadden tegen het zogeheten ‘area bombing’ zoals de Britten dat uitvoerden tegen nazi-Duitsland, vooral omdat eerstgenoemden sceptisch waren over de strategische wijsheid. Maar die scepsis lieten de Amerikanen varen toen ze geconfronteerd werden met de noodzaak de oorlog tegen Japan snel te beëindigen. Overy: ‘The transformation of American air force strategy has remained one of the central areas of debate on the last months of the Pacific war because it not only permitted an asymmetric and deadly war against the Japanese urban population, which was contrary to previous air force doctrine, but also prepared the way for the apotheosis of indiscriminate destruction in the two atomic attacks in August 1945 […] The alteration of American air force strategy to what has been called ‘urbicide’ – the killing of cities, whether by conventional or nuclear attack – remains a central factor in the unfolding air offensive in 1945’ (blz. 18).
Massale stedelijke vernietiging
De nieuwe Amerikaanse strategie werd verwoestend duidelijk bij het bombardement op Tokyo van maart 1945. Evenals andere steden was de Japanse hoofdstad uitermate kwetsbaar voor brandbommen: ‘A total of 267,000 buildings were destroyed and just over 1 million left homeless […] The death toll will never be known exactly but is almost certainly higher than the official figures. The memorial to the bomb victims in Tokyo counts 104,500 from all the raids on the city’ (blz. 32). Het aantal burgerslachtoffers was het hoogste op één dag in de hele twintigste eeuw (blz. 34).
Het bombardement op Tokyo was slechts het begin van een campagne van massale stedelijke vernietiging. Waaróm Curtis LeMay (‘Bombs Away LeMay’) en zijn luchtmacht bereid waren dichtbevolkte stedelijke gebieden te vernietigen en dat maandenlang te doen, is niet eenduidig te beantwoorden, zo laat Overy zien. Eén verklaring is dat de luchtmacht een beslissende bijdrage wilde leveren aan het verslaan van Japan, ‘to match the effort made by the U.S. Army in South East Asia and the U.S. Navy across the Pacific’ (blz. 35). Een tweede reden waren wraakgevoelens: ‘Revenge against an enemy pilloried for its atrocious behavior and routinely denigrated, often in racist terms, by those carrying out the campaigns’ (blz. 36). Wraak en racisme werden niet als zodanig benoemd, maar in beide gevallen waren het bekende sentimenten, die gemobiliseerd konden worden om te rechtvaardigen wat werd gedaan.
Ten slotte speelde ook dehumanisering een belangrijke rol. Overy: ‘The denigration and dehumanization of the Japanese people also created a psychological distance, to match the literal distance, between those inflicting the bombing and the victims below on the ground. The U.S. Army would never have entered Tokyo and slaughtered 87,000 people in cold blood, but bombing, both here and in the war in Europe, made it possible to see the areas below as targets on a map, defined in strategic terms, but not as human spaces filled with people’ (blz. 38).
Totale overgave
Het niét gebruiken van de atoombom lijkt nauwelijks een optie te zijn geweest, ook niet bij hen die het wapen in het Manhattan Project tot ontwikkeling én ontploffing hadden gebracht. Overy: ‘[The] intense curiosity and uncertainty in almost all cases overcame any reservations about building as soon as possible a military tool of awesome destructive power’ (blz. 61). Voor de Amerikaanse (leger)leiding gold hetzelfde, al zijn de redenen/argumenten die daarvoor zijn aangedragen gevarieerd, van het willen voorkomen van Amerikaanse slachtoffers tot geopolitieke overwegingen; Overy zet het allemaal met grote vaart en een uitstekende pen uiteen. Hij wijst er daarbij terecht op, dat er veel verdeeldheid heerste in Japan tussen het leger dat door wilde vechten en zij die aanstuurden op een manier om de oorlog te beëindigen. Bovendien was het concept van ‘totale overgave’ voor de Japanners vreemd. De term ‘end the war’ kon in het bijzijn van de keizer of in het publieke discours niet gebruikt worden; in plaats daarvan werd eufemistisch gesproken over ‘change of direction’. In de zomer van 1945 waren de meeste Japanse koloniën en veroveringen in China en Zuid-Oost Azië nog in Japanse handen, miljoenen waren onder de wapenen geroepen en nog geen vijandelijke soldaat had voet gezet op de Japanse hoofdeilanden. Overy: ‘In these circumstances, the call for unconditional surrender, defined in the Potsdam Declaration, seemed unrelated to the situation facing Japan. Capitulation had no precedent, and to achieve it required a political process centered on the emperor and his willingness or not to give his ‘sacred decision’ with all its constitutional complexities’ (blz. 93-94). Overy stelt dat er bij de Amerikanen weinig begrip bestond voor deze complexiteit. Zij zagen de Japanse weigering zich over te geven als een teken van een fanatiek volk dat liever zelfmoord zou plegen. De waarheid was in de praktijk veelkleuriger. Hij stelt ook dat de impact van de atoombommen op de Japanse leiding minder direct en belangrijk was dan president Truman aannam. De Japanners zagen de aanval op Hiroshima aanvankelijk als een uitbreiding van LeMay’s campagne: ‘The two atomic bombs together only destroyed 5 percent of the urban area, conventional bombing the remaining 95 percent’ (blz. 110). Pas na de tweede atoombom werd duidelijk dat hier iets nieuws gaande was; negen dagen later gaf Japan zich over aan de VS, al ging de oorlog tegen de Sovjet-Unie nog door tot begin september.
Rain of Ruin is een indrukwekkend en bij vlagen huiveringwekkend boek. In een tijd waarin steeds meer landen nadenken over het produceren van kernwapens komt Overy’s boek als een ferme en terechte waarschuwing: ‘Understanding the reasons for the incremental radicalization of strategy in 1945, and for the elaboration of a relative morality to legitimize the prosecution of ruthless total war, ought surely to be an important contribution to avoiding its repetition’ (blz. 150).
Dr. Martijn Lak – historicus
Rain of Ruin
Tokyo, Hiroshima, and the Surrender of Japan
Door Richard Overy
Londen (Allen Lane) 2025
206 blz. – ISBN 9780241700693