In onze tijd is oorlog weer een zeer reële dreiging geworden. Waar militairen altijd wel dachten in termen van oorlog, conflict en gevecht is inmiddels ook tot het civiele deel van de overheid doorgedrongen dat er iets serieus veranderd is.[1] Alle Nederlandse huishoudens hebben inmiddels een boekje ontvangen met tips om voorbereidingen te treffen voor als de vanzelfsprekendheden van ons leven niet langer functioneren. Laten we er niet heel dramatisch over doen: het gaat in dat boekje om het overbruggen van 72 uur. Voor de gemiddelde Nederlander is dat al een eeuwigheid, terwijl wij, zwartgallige militairen, zeggen: ‘Is dat alles?’
In dat zinnetje schuilt een wereld. De voorbereiding op zo’n situatie kan opgevat worden als een voorbeeld van ‘nadenken over het ondenkbare’. Wie zich daar serieus mee bezighoudt gaat een reductionistisch proces door: je leert gaandeweg om alle vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken en de vraag te beantwoorden: ‘Als dit allemaal niet meer werkt, hoe bereik ik dan het beoogde effect?’
Deze discipline, nadenken over hoe effectief op te treden in tijden van oorlog, hebben we tussen 1871 en 1995 tot grote hoogte ontwikkeld: oorlogs- en mobilisatievoorbereiding. Wie zich het laatste stuk van die tijd nog kan herinneren weet wat ik bedoel. Op mobilisatiecomplexen stond materieel klaar alsof het personeel van de eenheid even met lunchpauze was.
Dit heeft natuurlijk niets te maken met efficiency. Immers, grote sommen geld spenderen aan kostbare dingen met het doel die niet te gebruiken is verspilling. Of toch niet?
In de krijgsmacht werken we aan oorlogsvoorbereiding. We werken aan het ondenkbare. We denken iedere dag na over hoe we het ondenkbare mede mogelijk kunnen maken: oorlog. Niet omdat we op oorlog zitten te wachten, maar omdat we de eventualiteit zo goed mogelijk het hoofd willen kunnen bieden.
Nu draait ‘oorlog’ om zo efficiënt mogelijk je effect bereiken. Als mijn opdracht het innemen van Heuvel 183 is, een heuvel vergeven van vijandelijke troepen die zich hebben ingegraven en beschikken over heel veel machinegeweren en veel drones, dan moet ik nadenken over wat die heuvel me waard is. Op basis van mijn operationele risicoanalyse concludeer ik dat het nemen van die heuvel me ongeveer 50 mensen aan doden en gewonden gaat kosten. Mijn baas concludeert dat het risico aanvaardbaar is. Het operationele belang rechtvaardigt dus het offer van 50 militairen. Dan is de vraag wat in dit geval ‘efficiënt’ precies betekent. Ben ik efficiënt als ik met minder verliezen het beoogde effect bereik? Of ben ik efficiënt als ik het gestelde doel binnen de gestelde tijd en met het geaccepteerde ‘verbruik’ aan middelen bereik?
Als we oefenen ‘doen we alsof’. Als we ‘alsof’ doen, dan doen we dus dingen op een net iets andere manier dan wanneer het ‘voor het echie’ is. We ontkomen er dus niet aan om dingen te doen die vanuit een bedrijfsvoerings- en kostenperspectief heel erg inefficiënt lijken: we laten civiele vrachtauto’s leeg van A naar B rijden, waarbij ze in B een uur moeten wachten omdat ze zogenaamd gelost en geladen worden, waarna ze in konvooi-verband leeg terugrijden naar A, om zich op A te melden bij een opgegeven functionaris. Daarmee hebben x vrachtwagens y lege kilometers gereden, met schijnbaar geen ander doel dan die kilometers rijden – in konvooiverband, dat dan weer wel.
Dat geld lijkt verspild te worden, maar ik ben van mening dat ik investeer in het voorbereiden van civiele partijen om op een militaire manier transportdiensten uit te voeren, door ze op een militaire manier over wegen te laten te rijden – namelijk in kolonne, in konvooi, met een vastgestelde snelheid, met vastgestelde rustplaatsen en vastgesteld gedrag op die rustplaatsen. We doen dat zo, omdat we maar een beperkte beschikbaarheid van die weg hebben, en verplaatsen in kolonneverband ervoor zorgt dat alle lading een zo groot mogelijke kans heeft om op tijd op de bestemming te arriveren. Daarnaast kunnen de afzonderlijke elementen van de kolonne elkaar helpen. Dat is wel heel anders dan wat ze gewend zijn. Dat ze leegrijden nemen we voor lief, omdat we erin geïnteresseerd zijn dat onze civiele vrienden leren om in een sterker gecontroleerde setting dan normaal hun werk te doen. Het rendement zit dan in inzetbaarheid, de reductie van ongelukken en schade tijdens operaties en wat andere zachte factoren.
Dit is het punt waar de schoen wringt. De reflexmatige reactie op deze wijze van oefenen met kwalificaties als ‘verspilling’ is niets anders dan een gebrek aan begrip van waar we in de krijgsmacht mee bezig zijn: ons zo goed mogelijk voorbereiden op het zo goed mogelijk uitvoeren van opdrachten en werkzaamheden onder omstandigheden die niets met de Arbowet of vredestijd te maken hebben. Omstandigheden waarin efficiency een functie is van effectiviteit, namelijk het zo goed mogelijk slopen van de tegenstander met een efficiënt middelengebruik. En om daar een goed niveau in te bereiken moeten we in ‘vredestijd’ dingen doen die misschien heel moeilijk uit te leggen en zo te zien nog veel moeilijker te begrijpen zijn.
De elementen van militair vermogen zijn de conceptuele, fysieke en mentale component. Ik constateer dat we conceptueel nog wat zendingswerk te verrichten hebben, maar dat we mentaal nog niet goed voorbereid zijn op het beoordelen van zaken die op ‘verspilling’ lijken als noodzakelijk voor het bereiken van het beoogde effect: een op haar taken voorbereide krijgsmacht met strategische (civiele) partners die minstens zo goed voorbereid zijn op voor hun afwijkende werkmethoden. De vraag is dan ook hoe we die mentale en conceptuele componenten vormgeven en laten landen in de hoofden van onszelf, onze (civiele) collega’s en – misschien nog belangrijker – de samenleving. Immers: wie uitsluitend langs lijnen van bedrijfseconomische efficiëntie de uitvoering van werkzaamheden blijft beoordelen verliest het grotere belang uit het oog. We verspillen immers geen geld, maar geven geld uit aan een geloofwaardige afschrikking.
Dát is namelijk het effect waar we naar streven: een geloofwaardige afschrikking. En die kost heel veel geld en moeite – geld en moeite die iedereen geheel begrijpelijk ergens anders in had willen steken. Maar die luxe hebben we na dertig jaar eeuwige vrede écht niet meer. We zullen dus moeten omdenken.
[1] J. Noll e.a., Total defense in the Netherlands. Mission impossible?’, in: G.F. Rongved (red.), European Total Defense. Past, Present and Future, (Londen, Routledge, 2025) 219-238.