De boektitel The Art of War (De kunst van het oorlogvoeren) wordt doorgaans vooral geassocieerd met het werk van de grote meester Sun Tzu. Een titel als The New Art of War wekt daarom de verwachting dat nu een nieuwe Sun Tzu is opgestaan die een historisch en baanbrekend werk heeft geproduceerd. Deze schrijver is Geoffrey F. Weiss, inmiddels brigade-generaal in de U.S. Air Force en directeur Regionale Aangelegenheden bij de staatssecretaris voor de USAF in het Pentagon. Zijn achtergrond is Air Battle Manager op een E-3 Sentry met meer dan 2500 vlieguren. Na een aantal commandantenfuncties binnen de USAF heeft Weiss twee masters behaald bij de U.S. Marines en aan het National War College en meer recentelijk vervulde hij diverse joint-functies in en rond Washington.

The New Art of War behoort tot de categorie fundamentele beschouwingen over het militaire denken, oorlogstheorieën en strategie en raakt daarmee aan de kern en het hoogste intellectuele niveau van de krijgswetenschappen. Vele concepten, termen, principes en grondbeginselen uit het verleden zijn geëvolueerd tot een zeer complex geheel aan oorlogstheorieën en strategieën en daarnaast brengt het huidige tijdsgewricht vele veranderingen met zich mee. Weiss ambieert met dit boek een gebundelde en universeel toepasbare oorlogstheorie te ontwikkelen (Unified War Theory – UWT) om tegemoet te komen aan de volgende tekortkomingen: de moeizame toegankelijkheid van de bestaande theorieën, de inconsistente terminologie over de conflictvormen in het geweldspectrum en het gebrek aan een contemporaine theorieontwikkeling. Daarnaast biedt Weiss een methodologie aan om voorspellingen over de toekomst van het fenomeen oorlog te verbeteren. Weiss tekent daarbij aan dat het ontwikkelen en beschrijven van een oorlogstheorie in het huidige tijdsgewricht een verloren kunst is; het blijft in de regel bij het actualiseren van klassieke teksten.

De inhoud van The New Art of War

In het eerste hoofdstuk beschrijft Weiss de ontstaan van oorlog en zoekt dit in de vier oorzaken van Aristoteles: de materiële oorzaak (fysieke component van oorlog), de vorm-oorzaak (plaats in het geweldspectrum), de bewerkende oorzaak (het menselijke aspect) en de doeloorzaak (te bereiken doelstelling). Zoals alles in het universum bestaat ook oorlog in een wereld van tegenstellingen. ‘De wisselwerking van tegenstellingen vormt het universum’, zegt Confucius. Oorlog komt voort uit onbalans en wanorde in de politieke status quo en deze spanning doet zich ook voor in de oorlog. Deze dialectiek is fundamenteel in de theorie van Clausewitz. Weiss komt tot de conclusie dat er in de oorlogstheorie twintig tegenstellingen zijn, zoals orde-chaos, verleden-toekomst, vrede-oorlog, leven-dood, vriend-vijand, et cetera, en dat een keuze of positie op deze dialectische schalen vorm geeft aan alle aspecten van de oorlog.

Een theorie over oorlog en vrede is volgens Weiss onlosmakelijk verbonden met theorieën over de menselijke natuur en veel minder met mechanische aspecten. De ambivalente houding van de homo sapiens tegenover oorlog-vrede, leven-dood, schepping-vernietiging, enzovoort leidt volgens Freud tot slechts twee menselijke instincten: een voor behoud en verenigen en een voor vernietigen en doden. De mens is daarmee het gevaarlijkste dier ter wereld. Oorlog is meer dan enige andere activiteit een uitlaatklep voor agressie en onveiligheid en het zoeken naar spanning, maar ook wordt daarmee de behoefte aan een doel, aan eigendommen en zelfverwerkelijking bevredigd. Uiteindelijk komt Weiss met een definitie van oorlog ‘als een uniek menselijk fenomeen, gekenmerkt door geweld tussen twee partijen met als doel het bereiken van een gewenste politieke uitkomst’. Hij toetst deze definitie uiteindelijk aan alle conflictvormen in het geweldsspectrum. De focus van oorlogstheorieën in de 21e eeuw moet liggen op de oorlog zelf en niet op oorlog als een sociaal fenomeen.

In het tweede hoofdstuk bespreekt Weiss een zevental theoretici, de Magnificent Seven. Van de werken van Sun Tzu, Thucydides, Machiavelli, Jomini, Clausewitz, Liddell Hart en Mao geeft hij goede en uitgebreide samenvattingen en voegt daar soms bestaande kritieken aan toe. Net als in de andere hoofdstukken geeft hij beschouwingen, aangevuld met citaten van de Magnificent Seven en van anderen die hierover geschreven hebben. Deze zeven zijn gekozen omdat zij zich bij uitstek als studenten van de militaire geschiedenis, als ervaren krijgers en als experts over oorlog en de menselijke natuur manifesteerden.

In het derde hoofdstuk komen bestaande subtheorieën aan de orde. In de eerste plaats de theorie over de ‘kleine oorlog’ en in de tweede plaats de subtheorieën over het maritieme en het airpower-domein. Het begrip ‘kleine oorlog’ is een kapstok voor alle conflictvormen tezamen met benamingen als Small Wars (Calwell), Modern Warfare (Trinquer), Counterinsurgency Warfare (Galula), Guerrilla Warfare (Mao) en Counterinsurgency (Kilcullen en FM 3-24). Ondanks de opkomst van deze conflicten in 20e eeuw heeft niemand zich geroepen gevoeld de algemene oorlogstheorieën van Clausewitz, Corbett en anderen in dit licht te herzien. De genoemde subtheorieën zijn ontstaan binnen het traditionele grondoptreden en als zodanig is dit optreden gelijk aan gevechten waarin menselijke en politieke aspecten gemarginaliseerd worden. De subtheorieën bestaan vooral uit terminologiekwesties, doctrines en tactieken, zodat zij eerder best practices dan echte oorlogstheorieën zijn. Omdat kleine oorlogen altijd asymmetrisch zijn en partijen opmerkelijk verschillen in hun oorlogvoerende capaciteiten, maakt Weiss onderscheid tussen de haves en de havenots. De haves hebben concrete voordelen, bijvoorbeeld diplomatiek, bestuurlijk, financieel, industrieel en communicatief, en tevens toegang tot media en militair vermogen. De havenots beschikken vooral over immaterieel goed, zoals de ideologische kracht van hun zaak. Discipline en organisatie van guerrillatroepen zijn volgens Mao niet primair gemotiveerd voor het gevecht, maar vooral voor de uitvoering van politieke activiteiten in de revolutionaire oorlog.

Van het maritieme domein bespreekt Weiss Mahan en Corbett. Bij Mahan is vooral de beheersing van de zee de centrale connectie met nationale macht, welvaart en aanzien. Maar Mahan heeft nooit de systematische vorm van een Clausewitz of Jomini bereikt; zijn theorie is een verzameling van eerder geformuleerde aforismen en het uitstallen van maritieme geschiedenis tegen de achtergrond van historische gebeurtenissen, verweven met politieke en economische factoren. Corbett neemt afstand van Mahan door het afwijzen van populaire doctrines zoals het ononderbroken offensief en hoewel hij Clausewitz bewonderde, wees hij diens zero-sum-model voor aanval en verdediging af. Weiss concludeert dat macht ter zee geen sine qua non voor nationale betekenis is. Zij kan het beste gebruikt worden in harmonie met andere machtsmiddelen.

Voor het airpower-domein is het moeilijk om een theoreticus te noemen die een objectieve, systematische en abstracte theorie biedt. Met de opkomst van het vliegtuig begonnen visionaire krijgers en futurologen na te denken over militaire toepassingen van het ‘luchtwapen’. De meest opmerkelijke waren Douhet, Mitchell, Trenchard en Slessor. Deze pioniers waren fanatieke ijveraars voor het vliegtuig en daardoor ontbrak het hen aan de objectiviteit die goede theoretici nodig hebben. Alleen Slessor neemt afstand van zijn houding als voorstander en doet beredeneerd en onpartijdig onderzoek. De theoretici wilden dat airpower een succes werd en daarom werd het luchtwapen voortdurend als revolutionair neergezet. Hoe significant airpower ook is, historische analyse bewijst dat dit niet altijd het geval hoeft te zijn. Hiervoor zijn twee redenen: vliegtuigen zijn beperkt in aanwezigheid en persistentie, terwijl beslissingen over oorlog en vrede plaatsvinden in het cognitieve domein, dat afhangt van een veelheid aan menselijke factoren, zoals persoonlijkheden, culturen, etniciteit, politiek en religie. Zo is het daarom onmogelijk zeker te weten of een bombardement van enig doel beslissend zal zijn of alleen maar zal leiden tot versterking en niet het breken van de wil van de vijand.

Vanuit deze theoretische beschouwingen komt Weiss in het vierde hoofdstuk tot een synthese met zijn eigen Unified War Theory. Een oorlogstheorie geeft geen antwoord op elke situatie, maar het vormt een basis voor beoordeling en vergelijking. Om een nieuwe theorie aanvaard te krijgen, moet zij drie testen ondergaan: zij mag niet strijdig zijn met een eerder gevalideerde theorie of wetmatigheid zonder bewijs; zij moet verklaren wat waargenomen kan worden en waarvan we weten dat het waar is en daarnaast moet zij een nieuw inzicht bieden over het fenomeen dat onderzocht wordt. Om tegemoet te komen aan de permanente en universele waarheden moeten alle vormen van oorlog en subtheorieën deel uitmaken van zo’n algemene oorlogstheorie. Weiss zegt dat oorlogvoeren vooral een praktische aangelegenheid is; een goede oorlogstheorie moet dus praktisch kunnen worden toegepast. De praktijk houdt het hoe en het wat in en de theorie levert daarbij het waarom. Volgens Clausewitz is theorie een gids voor iedereen die iets over de oorlog wil leren uit een boek; het verlicht zijn weg, vereenvoudigt zijn progressie, traint zijn oordeelsvermogen en helpt hem valkuilen te vermijden.

Weiss verklaart eerst zijn definitie van oorlog en constateert dat er in het geweldsspectrum vier zones zijn: ware vrede, competitie, conflict en oorlog (wederzijds geweld om politieke doelstellingen te bereiken). Er kunnen wel subtheorieën zijn, maar die zijn ondergeschikt aan en afgeleid van de algemene theorie. Beïnvloeding is het effect op het doel en dat kan op verschillende manieren: door een akkoord, door over te halen, door te verleiden, door af te dwingen of met een conflict of oorlog. De politiek beschikt daartoe over een aantal machtsinstrumenten die op alle niveaus kunnen worden toegepast, van individueel tot allianties. Weiss beschrijft de strategische niveaus: politiek (met Grand Strategy als veiligheidsdeel) en militair. Hij komt met de (onveranderlijke) aard van de oorlog en de daartoe behorende twintig dialectismen en met de (veranderlijke) tijdsgebonden kenmerken. Tot zijn oorlogstheorie behoren verder beschouwingen over de niveaus van optreden, gevechten, centers of gravity, lines of effort, momentum, inertie, culminatie, de OODA-loop en commandovoering.

Ten slotte komt Weiss met een ‘viscositeits’- of ‘vloeibaarheidstheorie’. Daarmee wordt uitgedrukt in hoeverre een force of een troepenmacht kan manoeuvreren, van snelheid en richting kan veranderen, beperkt wordt door regels en wetten, met elkaar samenhangt en zich kan concentreren. Zo ontstaan vloeibare (viscous) en niet-vloeibare (inviscous) forces en de relatieve viscositeit leidt tot een vorm van oorlog (hybride, symmetrisch of asymmetrisch). De relatieve viscositeit kan het beste gevisualiseerd worden door een War-Viscosity-Algoritme, gebaseerd op wil, context en relatieve capaciteit. Met deze viscositeitstheorie wil Weiss afrekenen met de lineaire redenering van oorzaak en gevolg die het westerse militaire denken domineert.

In het vijfde hoofdstuk bespreekt hij ten slotte de toekomst van de oorlog en maakt daarbij gebruik van zijn UWT en de viscositeitstheorie. Deze theorie maakt het mogelijk de variabelen van een gewapend conflict een waarde te geven zonder onder te gaan in een terminologiediscussie die meer verwart dan helderheid schept. Het onderscheid tussen de (onveranderlijke) aard van de oorlog en haar (veranderlijke) kenmerken in een bepaald tijdsgewricht is daarbij zijn beginpunt. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een polemologische beschouwing van de vraag of het mogelijk is te leven in een wereld zonder oorlog en wat daarvoor de voorwaarden zijn.

Een oordeel over The New Art of War

The New Art of War is een goed geschreven en gestructureerd boek dat met recht gesitueerd kan worden in het domein van het militaire denken. Het is een inspiratiebron voor de krijgswetenschappen en voor de theorie over strategievorming. Het veelvuldig citeren van anderen die over eenzelfde onderwerp hebben geschreven geeft de beschouwingen een breed perspectief. Toch zijn er wel een aantal kanttekeningen te maken.

De filosofie van Sun Tzu berust volgens Weiss op twee aforismen: ken je vijand en ken jezelf en het onderwerpen van de vijand zonder te vechten is het summum van bekwaamheid. Op zich is dit juist, maar dit doet geen recht aan Sun Tzu’s nalatenschap. Suns Art of War is veel breder en zegt vooral ook wat het vechten inhoudt en hoe zich dit verhoudt in de politieke context. Zijn belangrijkste constatering is dat de veldheer ervan doordrongen moet zijn dat oorlogvoeren geen op zichzelf staande bezigheid is. Het moet een politiek doel dienen en zijn ingepast in een kader van politieke prioriteiten. Voor Sun Tzu was oorlogvoeren slechts een instrument en een veldheer had zich naar dit gegeven te schikken.

Bij Clausewitz wordt een klassieke fout gemaakt bij de interpretatie van de begrippen absolute en beperkte oorlog. Weliswaar is Vom Kriege niet voltooid en zou het nog grotendeels herzien moeten worden, toch kunnen we uit het voorliggende werk wel afleiden hoe Clausewitz’ oorlogstheorie zou luiden. Dat is in elk geval niet wat Weiss beschrijft, namelijk dat de absolute oorlog gelijk te stellen is met de perfecte en ideale – en dus na te streven – oorlogsvorm. De absolute oorlog is bij Clausewitz een norm waarlangs alle oorlogen beoordeeld kunnen worden. Een oorlog zal slechts zelden een absolute vorm aannemen, maar altijd worden beperkt door invloed van de politiek, door restricties in het gebruik van geweld en doordat het menselijke en dus niet-rationele kenmerken heeft.

De vraag is of Weiss met zijn viscositeitstheorie de krijgswetenschappen een dienst bewijst. Oorlogvoeren is een praktische aangelegenheid, dus een goede oorlogstheorie moet praktisch kunnen worden toegepast. Met zijn theorie poogt Weiss vooral helderheid te scheppen bij de typering van conflicten en oorlogen, maar waarom de gangbare omschrijvingen zich daartoe niet zouden lenen zie ik niet. De uitvoerenden in de oorlogen zijn vooral gebaat bij toegankelijke theorieën en dat is de viscositeitstheorie zeker niet.

Mijn grootste bezwaar tegen het boek is dat het poogt een substituut te zijn voor alle geschriften die de huidige oorlogstheorie vormen. Weiss wil met zijn UWT een panklaar antwoord te geven op alle theoretische vraagstukken. Maar daardoor wordt wel een enkelvoudig antwoord gegeven zonder dat andere mogelijkheden worden onderzocht. Dit wordt versterkt doordat er een synopsis van zijn UWT is opgenomen die onmiddellijk doet denken aan een checklist die afgewerkt moeten worden. En als iets dodelijk is voor de creativiteit en dus ook niet werkt binnen oorlogstheorieën, dan zijn dat checklists. Overigens is ook Clausewitz wars van algemeen geldende wetmatigheden en regels en dus van een positieve doctrine. Zijn theorie is eerder een verzameling van observaties die moeten leiden tot begrip van wat oorlog eigenlijk is. Toepassing is een zaak van de genius die geacht wordt onder andere dat begrip te hebben.

Toch is The New Art of War een uitdagend boek dat de moeite waard is om gelezen en herlezen te worden. Het biedt zeker inspiratie voor eenieder die zich met het militair denken, met de ontwikkeling van oorlogstheorieën en met het onderwijs aan de hogere vorming bezighoudt. Ook hoeft niet direct het hele boek gelezen te worden; het lezen van delen is al vruchtbaar voor de gedachtenvorming. Ik beveel dit dan ook zeker aan, maar om nou te zeggen, is dit de nieuwe Sun Tzu? Nee, daarvoor is de UWT te onderontwikkeld en roept nog veel vragen op. Ik verwacht ook niet dat iemand de oude Chinese meester ooit zal evenaren.

Ton de Munnik, kolonel der infanterie, b.d.

The New Art of War

The Origins, Theory, and Future of Conflict

Door Geoffrey F. Weiss

Cambridge (Cambridge University Press) 2021

446 blz. – ISBN 9781108837644