De geschiedenis van het christendom is niet vrij van geweld. Christenen hebben geweld daarbij op verschillende manieren gelegitimeerd en wisselende argumentatie aangedragen. Om verklaringen daarvoor te vinden is het goed te kijken naar de vroege kerk, de Middeleeuwen en de moderne tijd. In elke periode probeerden christelijke denkers en kerke-lijke leiders opnieuw een antwoord te vinden op de vraag of het voor christenen is toege-staan om de dienst aan het wapen te vervullen, in het spanningsveld tussen de Bijbelse ge-boden en de vraag van de overheid. In de huidige tijd is een verdere ontwikkeling van de theologie van de dienst aan het wapen, in een richting die christelijke militairen kan ondersteunen, zeker gewenst.
De dienst aan het wapen is voor christenen niet vanzelfsprekend en is het ook nooit geweest. Staat in het Oude Testament al bij de Tien Geboden ‘Gij zult niet doden’, in het Nieuwe Testament doet Jezus er nog een schepje bovenop door te zeggen ‘Hebt uw vijanden lief’. Toch is de geschiedenis van het christendom, en zeker de geschiedenis van christelijke staten, volken en personen, niet vrij van geweld. Daarbij gold voor christenen telkens ook de vraag in wiens dienst, en met welk doel, het geweld uitgeoefend zou moeten worden. Een christelijke overheid en het instaan voor vrede en gerechtigheid (speciaal voor de zwakken) hadden daarbij de voorkeur, maar ook hierbij zijn in de loop van de geschiedenis goede én verkeerde keuzes gemaakt. In dit artikel willen we deze twee met elkaar verbonden geschiedenissen beschrijven en de vraag stellen: hoe is het gebruik van geweld door christenen in de loop van de geschiedenis gelegitimeerd, en wat is daarbij aan de argumentatie veranderd?

Voor christenen heeft in de loop der tijden telkens de vraag gegolden in wiens dienst, en met welk doel, geweld uitgeoefend zou moeten worden. Foto MCD, Christian Schrik
We zullen daarvoor met grote stappen door de geschiedenis gaan, want een gedetailleerde synchrone blik zou een boek opleveren. Grote stappen betekent ook nuanceverlies, maar toch is het goed om een aantal momenten uit de geschiedenis te nemen die als scharniermomenten gezien kunnen worden. We richten ons op drie tijdsgewrichten. Ten eerste op de vroege kerk in de overgang van de vervolgingen in het Romeinse Rijk naar de acceptatie als staatskerk door Constantijn de Grote. Ten tweede op de Middeleeuwen van de kruistochten in het Nabije Oosten en het Balticum naar de godsdienstoorlogen in de Reformatie. En ten derde op de moderne tijd in de periode van de Koude Oorlog naar nieuwe globale spanningen en terrorisme. In elke periode probeerden christelijke denkers en kerkelijke leiders opnieuw een antwoord te vinden op de vraag of het voor christenen is toegestaan om de dienst aan het wapen te vervullen, in het spanningsveld tussen de Bijbelse geboden en de vraag van de overheid. Daarbij speelt de vraag of er een rechtvaardige oorlog is wel degelijk mee, maar die hele discussie zal in deze bijdrage een ondergeschikte rol vervullen.[1] In de conclusie zullen we de vraag proberen te beantwoorden wat huidige militairen, christelijk of niet, met deze informatie aan kunnen vangen.
Vroege kerk
Verschillende belangrijke auteurs uit de begintijd van de christelijke kerk argumenteerden dat het geloof niet verenigbaar was met deelname aan het Romeinse leger. Bijvoorbeeld Tertullianus (ca. 160-ca. 230) was van mening dat iemand niet God en de keizer tegelijk kon dienen (naar aanleiding van Matt. 6:24) en dat de militaire praktijk tegengesteld was aan de christelijke leer (het dragen van wapens, deelname aan afgoderij, inzet op zondagen, en het gebruik van geweld jegens anderen). Aan de hand van verschillende Bijbelteksten laat hij zien dat christenen een geestelijke strijd voeren met goddelijke kracht in plaats van aardse wapens. Wie zich bekeerd had moest het leger verlaten.[2] De filosoof en Bijbelgeleerde Origines (ca. 185-ca. 253/254) vond ook dat de roeping van christenen was om spiritueel strijder te zijn tegen de innerlijke demonen die conflict en geweld veroorzaken. Gebed was daarvoor een veel krachtiger wapen dan fysiek geweld. Christenen zouden zich, net als priesters van de Romeinse erediensten, afzijdig moeten houden van geweld om zo ritueel en spiritueel zuiver te blijven.[3] Ten slotte kan gewezen worden op Lactantius (ca. 240-ca. 320) die schreef dat doden ingaat tegen de Tien Geboden, afhoudt van de weg van deugd en gerechtigheid, en dat daarom militaire dienst niet was toegestaan: ‘Het doden van een menselijk wezen, een door God gewild heilig schepsel, is altijd verkeerd’.[4]
Ondanks deze scherpe woorden is er veel archeologisch bewijs dat er christenen in het Romeinse leger waren. In een militaire grenspost in het Oosten van het huidige Syrië, uit de late tweede en het begin van de derde eeuw, is een huiskerk en christelijke graffiti gevonden.[5] Christelijke grafinschriften in Noord-Afrika en Rome duiden op militaire dienst van de overledene.[6] Ook militaire epitafen laten behalve de rang en eenheid soms christelijke symbolen zien zoals een kruis, vis, anker of palm.[7] In Anatolië is een familiegraf gevonden van twee christelijke soldaten.[8] Overgeleverde berichten over christelijke martelaren gaan expliciet over soldaten – die dus blijkbaar militair actief waren. Ze moesten echter een keuze maken als ze verplicht werden te offeren voor goden of de keizer, of als ze in militaire handelingen de tegenstander moesten doden. Op dat moment weigerden christenen de dienst, werd bekend dat ze christen waren en volgde de dood en erkenning door de kerk als martelaar.[9] Interessant is ook een verhaal uit Noord-Afrika, waar een proconsul tegen een christen, die door zijn vader was ingeschreven in het leger, zei ‘dat andere christenen daar geen bezwaar tegen hadden’. Deze en vele andere voorbeelden laten zien dat christenen in het leger dienden en dat pacifisme niet wijdverbreid was.

Augustinus van Hippo zag militairen niet als instrument van geweld, maar als uitvoerders van goddelijke gerechtigheid en vrede, tegen oorlog en kwaad. Foto Picture Alliance
De grote verandering kwam met keizer Constantijn de Grote (272-336), die met het Edict van Milaan (313) het christendom legaliseerde als religie. Daardoor werd het voor christenen makkelijker om in het leger te dienen, ook omdat de keizer zijn positie verklaarde door ingrijpen van de christelijke God. De christelijke kerkleiders zagen oorlog en geweld niet meer spiritueel en allegorisch, maar probeerden te rechtvaardigen waarom iemand als christen militair kon zijn; militaire dienst was een van de manieren om de verplichtingen aan de staat te vervullen.[10] In 325 riep Constantijn een kerkvergadering bijeen in Nicea (Iznik/Turkije) waarop belangrijke, deels nog steeds geldende besluiten werden genomen. Op die vergadering werd onder andere besloten dat ‘Zij die door genade werden geroepen en hun militaire kleding aflegden, maar daarna terugkeerden [naar het leger] zoals honden naar hun braaksel, … zij zullen tien jaar boeteling zijn nadat ze drie jaar als toehoorder aanwezig waren’. Ze konden wel eerder worden toegelaten na een scherpe toetsing van hun motivatie. Het is echter niet aan te nemen dat de militaire keizer Constantijn toeliet dat christenen de dienst in het leger werd ontzegd; veeleer wordt aangenomen dat dit besluit bedoeld was om christenen die wilden toetreden tot het leger van de heidense rivaal van Constantijn, Licinius, onder druk te zetten door te verklaren dat ze niet zo gemakkelijk konden terugkomen, niet in het keizerlijke leger en niet in de kerk.[11]
Een verdere legitimering van de deelname van christenen aan leger, geweld en oorlog vindt plaats in de geschriften van Ambrosius van Milaan (340-397) en Augustinus van Hippo (354-430) over de ‘rechtvaardige oorlog’.[12] Zo schrijft Ambrosius over het ‘right to protect’: ‘We hebben een verplichting om elkaar te helpen… met elk ons ter beschikking staand middel… Niemand is van zijn plicht ontslagen door een angst voor gevaar’.[13] Augustinus argumenteerde dat onder bepaalde voorwaarden militaire dienst legitiem en God welgevallig zou kunnen zijn.[14] Hij zag militairen niet als instrument van geweld maar als uitvoerders van goddelijke gerechtigheid en vrede, tegen oorlog en kwaad. Militaire actie zou een vorm van corrigerende liefde kunnen zijn, een middel om het kwaad te beperken en de zwakke te beschermen, waardoor geweld een morele plicht werd. Centraal in zijn denken was het concept van de ‘legitieme autoriteit’: militairen die legitieme orders opvolgen zijn principieel onschuldig, zelfs als die bevelen tot conflicten leiden. Hierdoor konden christenen in militaire dienst treden en blijven. Wel moet opgemerkt worden dat Augustinus oorlog als een noodzakelijk kwaad zag: geweld moest met de juiste intentie worden toegepast met het doel om vrede te herstellen. Samenvattend: aan het eind van de vierde eeuw was deelname van christenen in het leger veel meer geaccepteerd dan de eeuwen daarvoor.
Middeleeuwen
Vanaf de val van het Romeinse Rijk in 476 tot ongeveer 1000 werd Europa geteisterd door invallen van Slavische, Noordse, Arabische en Hongaarse stammen. De kerk reageerde hierop door geweld te legitimeren en militairen als ‘soldaten van Christus’ die vochten voor een heilige zaak de zonden te vergeven als ze stierven in de strijd. Paus Urbanus II brak in 1095 een taboe door pelgrims tijdens de eerste kruistocht toe te staan wapens te dragen.[15] Een andere taboebreuk, vanwege de vermenging van geestelijkheid en ridderschap, was de oprichting van de Orde van de Tempeliers (1118) die het doel had om de pelgrimsroutes naar en in het Heilig Land te beveiligen. In 1130 publiceerde Bernard van Clairvaux (1090-1153) een beroemd geschrift voor de Orde van de Tempeliers. Hij zag ze als ware ridders, die niet vochten uit ijdelheid of voor roem maar voor Christus zelf waardoor ze het met een zuiver geweten deden. Een gevecht is nooit verkeerd mits voor de juiste reden, in dit geval de heilige plaatsen beschermen en zo het heil van de pelgrims ondersteunen. Bij de tweede kruistocht in 1146 herhaalde Bernard deze argumentatie met een duidelijke oproep tot geweld tegen moslims. Toch zijn verschillende hedendaagse auteurs van mening dat zijn woorden opriepen tot een beperking van geweld, tot het hebben van genade met de overwonnenen, en dat Bernard van mening was dat bekering van Joden en moslims met geweld niet mogelijk was.[16]
In de latere Middeleeuwen waren er verschillende, deels tegenstrijdige ontwikkelingen rond de vraag of christenen in een leger konden dienen. Albertus Magnus (ca. 1220-1280) en Thomas van Aquino (ca. 1225-1275) legitimeerden de militaire dienst als er een goede overheid werd gediend. In hun tijd verschoof immers de ridderlijke loyaliteit van feodale heersers naar abstracte naties. Albertus vond militaire dienst acceptabel maar veroordeelde de uitwassen (onschuldigen bedreigen, plundering, gewelddadige toernooien). Hij benadrukte dat geweld alleen kon worden toegepast door een rechtmatige autoriteit of een wettelijke overheid.[17] Thomas vroeg zich af of sterven voor het vaderland het martelaarschap betekende, maar verwierp dat idee om vergoddelijking van de natie te vermijden. Hij hield eraan vast dat alleen mensen die voor het geloof stierven martelaren waren, wat een klein maar significant verschil was met de lofrede van Bernard van Clairvaux op elke verdediger van het Christendom. Thomas werd daarentegen niet geconfronteerd met moslims in het Heilig Land, maar met (interchristelijke) Europese burgeroorlogen en met christelijke ‘ketterijen’ (Catharen, Waldenzen). Hij erkende daarom dat sterven in een rechtvaardige oorlog martelaarschap zou kunnen zijn als de verdediging van God en kerk het doel was.[18]

In de twaalfde eeuw kwamen de kruistochten op gang, waarbij de oprichting van de Orde van de Tempeliers vanwege de vermenging van geestelijkheid en ridderschap een taboebreuk vormde. Foto Picture Alliance
Maar behalve een legitimering van geweld door christenen (wat steeds ook een beperking inhield) zijn er vanaf de dertiende eeuw ook tegengestelde ontwikkelingen die geweld afwijzen. Twee daarvan hangen met een spirituele ervaring samen. Franciscus van Assisi(1181/82-1226) werd gevangengenomen in de gevechten tussen Assisi en Perugia, en wilde na zijn vrijlating de paus in Rome dienen als soldaat. Onderweg naar zijn nieuwe roeping daalde het inzicht in dat hij de hoogste heerser moest dienen, waardoor hij een gevoeligheid ontwikkelde voor de armen en kwetsbaren, en werd hij ten slotte een voorvechter van de vrede.[19] Ignatius van Loyola (1491-1556) was een Spaanse edelman die gewond raakte in de oorlog tegen de Fransen. Na zijn herstel ging hij op pelgrimstocht en ontmoette hij een Arabier die zijn geloof beledigde. Hij wilde hem wat aandoen maar zijn ezel liep weg van het geweld; voor Ignatius een teken dat dit soort oordelen aan God overgelaten moeten worden.[20] Erasmus van Rotterdam (ca. 1466-1536) ten slotte keert in zijn Handboek van een christelijk strijder (1501) weer terug naar de oud-christelijke spiritualisering van geweld als symbool van de innerlijke en niet de uiterlijke strijd tegen het kwaad. Ook in andere werken laat Erasmus een afkeer zien van geweld. In het laatste hoofdstuk van de Opvoeding van een christelijke vorst (1515) waarschuwt hij bijvoorbeeld heersers om oorlog te vermijden en alleen in uiterste noodzaak te beginnen. In de Klaagzang van de vrede (1517) bekritiseert hij dat de wereld zo graag houdt van uitsluiting en oorlog. Het is duidelijk dat voor Erasmus oorlog en christelijk leven niet samen kunnen gaan.[21]
De vredestraktaten van Erasmus konden interchristelijk geweld niet voorkomen en spoedig na zijn overlijden belandde Europa in vernietigende godsdienstoorlogen. Huurlingen vervingen loyale soldaten, veldslagen werden gevoerd voor rijkdom en macht in plaats van ridderlijke eer, en propaganda hitste het conflict op. De christelijke eenheid viel uiteen en volkeren keerden zich tegen elkaar, tegengesteld aan Erasmus’ visie van een vreedzaam christendom. In de context van de Boerenoorlog van 1525, waarin een radicale vorm van de Reformatie tot uiting kwam die door de adel bloedig werd neergeslagen, werd Maarten Luther (1483-1546) gevraagd een opstel te schrijven over de vraag of krijgslieden ook zalig kunnen zijn. Luther beschouwde daarop het soldatendom potentieel als een goddelijke instelling, als het gerechtigheid en vrede diende onder een goede overheid. Christenen moesten daaraan gehoorzamen als ze in dat geval tot een militaire taak werden opgeroepen. Tegelijkertijd veroordeelde hij misbruiken als rebellie, plundering, vechten voor eer, en excessief geweld. Zijn conclusie was dat militairen niet geheiligd werden door hun beroep, maar als christenen die God dienden door hun geloof.[22] Hiermee pakte Luther de gedachten van Ambrosius, Augustinus, Bernardus en Albertus weer op.
Moderne tijd
In de moderne tijd lijken de kerken minder belangstelling te hebben voor de vraag of een christen militair kan zijn. Allereerst bespreken we hier de ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk. Het laatste document van het Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et spes (1965, Vreugde en hoop) vraagt om een mondiale vrede gebaseerd op gerechtigheid en naastenliefde. Het document veroordeelt oorlog, met name vanwege de aanwezigheid van nucleaire wapens en de (wederom actuele) wapenwedloop. Tegelijkertijd werd de positieve rol voor de wereldvrede van internationale samenwerking en humanitair oorlogsrecht onderstreept. In deze context wordt over militairen gezegd dat ‘zij, die zich als beroepsmilitair aan de dienst van het vaderland hebben gewijd, zich beschouwen als de dienaars van de veiligheid en de vrijheid van de volken; en door een correcte uitoefening van deze taak dragen zij werkelijk bij tot het behoud van de vrede’.[23] In 1986 werd de zielzorg voor militairen (wereldwijd) middels een Vaticaans schrijven gereorganiseerd. Dat document geeft ook een karakterisering van het werk van militairen. Er wordt in gezegd dat militairen een bijzondere sociale klasse vormen, die leeft en werkt onder bijzondere omstandigheden – vrijwillig of verplicht.[24] Het lijkt erop dat de katholieke kerk vandaag de dag het werk van militairen waardeert en respecteert, maar een spiritueel-theologische fundering van hun ‘speciale omstandigheden’ is afwezig. Er wordt alleen gezegd dat ze de vrede moeten dienen en daaraan bijdragen.
De ideeën over de militaire dienst zoals opgeschreven in Gaudium et spes komen terug in vele andere kerkelijke documenten over oorlog en vrede. Bijvoorbeeld in documenten van de Duitse bisschoppenconferentie. In 2013 schreven de Duitse bisschoppen een brief over ‘Rechtvaardige vrede’, waarin wordt gezegd: ‘soldaten verdienen respect als ze door hun werk verantwoordelijkheid nemen voor veiligheid en vrede en het voorkomen van oorlog. Met dit doel en georiënteerd naar dit doel is het een dienst aan de vrede’.[25] Deze woorden worden herhaald in een document uit 2024, maar doelbewust wordt dan de pacifistische lijn uit de christelijke traditie geplaatst naast de lijn van legitiem geweld. Dan vragen de bisschoppen zich af: hoe kunnen we de vredevorst volgen als beide tradities gericht zijn op het verminderen en uiteindelijk overwinnen van geweld? Als antwoord weiden ze uit op de praktijk van actieve geweldloosheid: laat jezelf niet verleiden tot het imiteren van het geweld dat je ervaart door de vijand. Dit betekent niet het afzien van geweld (het kan gebruikt worden in geval van zelfverdediging of om misdaden zoals genocide te voorkomen), maar de eerste optie zou niet-gewelddadig gedrag moeten zijn. De Duitse bisschoppen zeggen dat het gebruik van geweld alleen is toegestaan als het geen ander doel heeft dan het bevorderen van vrede en gerechtigheid.[26]

Militairen op audiëntie bij paus Franciscus, die de traditionele leer van de rechtvaardige oorlog terzijde schoof en deze veranderde in een leer van rechtvaardige vrede. Foto Picture Alliance/Avalon, Riccardo De Luca
Deze laatste gedachte past geheel in de lijn van paus Franciscus (paus van 2013-2025): het absolute taboe op geweld is een centraal thema in zijn vredestheologie, die de traditionele leer van de rechtvaardige oorlog terzijde schuift en deze verandert in een leer van rechtvaardige vrede. Alles moet gedaan worden om oorlog te voorkomen. Het gebruik van geweld om problemen op te lossen is irrationeel in het licht van de enorme vernietigingskracht die moderne wapens hebben. Daarom kan men volgens hem niet langer spreken over een ‘rechtvaardige oorlog’. Als gevolg veroordeelde Paus Franciscus wapenhandel en -productie en benadrukte dat de middelen die daarvoor worden ingezet beter besteed zijn om de ongelijkheid (als bron van geweld) te verkleinen. Franciscus besprak ook het alternatief van geweldloosheid als een middel en als een doel. Geweld leidt alleen maar tot meer geweld, terwijl dialoog en de herinnering aan de slachtoffers van voorgaande conflicten zouden moeten leiden naar een visie op een vreedzame manier van leven. Ten slotte wilde hij dat de oorzaken van conflicten worden aangepakt (uitbuiting, mensenhandel, discriminatie, manipulatie voor persoonlijke belangen, en economische ongelijkheid), waarmee de reden om wapengeweld te gebruiken overbodig wordt.[27] De paus zei het niet expliciet, maar zo blijft er weinig ruimte voor christenen over om in de krijgsmacht te dienen; in de eerste maanden van zijn pontificaat lijkt Leo XIV niet van deze lijn af te wijken.
In dezelfde kaders beweegt zich ook het recente document van de Evangelische Kirche Deutschlands,[28] maar zet daarbij wel enkele andere accenten. Ook hier staat een alomvattende vrede (shalom) als doel aan de horizon en worden christenen opgeroepen het geweldloze voorbeeld van Jezus te volgen. De term ‘rechtvaardige vrede’ staat centraal in het document, wat wordt ingevuld als bescherming tegen geweld, bevordering van vrijheid, verminderen van nood, en bevorderen van culturele pluriformiteit. De realiteit van de zondige wereld, waarin geweld een rol speelt, willen deze protestanten echter niet ontkennen. Daarom moet vrede altijd gebonden zijn aan recht en rechtsregels en die – en hier vindt een omslag plaats – mag en moet desnoods ook met militair geweld gehandhaafd worden. Het document schaart zich vervolgens achter de militaire zelfverdediging door Oekraïne, legitimeert de inzet van preventief geweld als er een sterke dreiging is, ondersteunt de herbewapening en afschrikking met (niet: het gebruik van) nucleaire wapens, en wapenleveranties aan landen in nood worden toegestaan. Wat betreft militaire dienstplicht wordt gezegd dat het nodig kan zijn dat de staat een beroep doet op de bevolking om te helpen bij de verdediging, waarbij militaire en civiele vormen van verdediging niet tegen elkaar uitgespeeld mogen worden. Soldaten worden eraan gehouden zich ook persoonlijk in te zetten voor een rechtvaardige vrede.
Christelijke soldaten?
Het is voor christenen geenszins vanzelfsprekend om geweld te gebruiken, ook niet in een militaire context. De vroege kerkvaders waren daarover zeer uitgesproken: op Bijbelse gronden, en omdat het dienen in het leger meedoen aan heidense praktijken impliceerde, was het voor christenen uitgesloten om militaire dienst te vervullen. Toch is er overweldigend archeologisch en literair bewijs dat christenen dienden in de keizerlijke legers. Vanuit dat perspectief klinken de oproepen van de kerkvaders eerder als herderlijke pogingen om hun kudde te beschermen. Het is wel duidelijk dat er met Ambrosius en Augustinus een verandering plaatsvond: onder een goede overheid en met het juiste doel kunnen christenen de wapens opnemen. Dit argument werd verder ontwikkeld in de Middeleeuwen door Bernardus, Albertus, Thomas en Luther. Maar er waren ook tegengestelde ontwikkelingen om de krijgerscultuur te verlaten, om militaire waarden te spiritualiseren, om een vreedzaam leven zonder geweld te leven en daarmee te voldoen aan (wat werd gezien als) de oorspronkelijke christelijke roeping.
In de moderne tijd lijkt in de katholieke kerk een zekere distantie ten opzichte van de krijgsmacht aangehouden te worden. Aan de ene kant worden militairen gewaardeerd voor hun inzet voor het algemeen welzijn, de staat en de natie. Aan de andere kant worden ze verplicht om vrede en gerechtigheid na te streven en het internationaal recht aan te houden. Omdat deze positieve punten sinds Gaudium et spes in verschillende latere documenten letterlijk werden herhaald, en niet verder werden uitgewerkt of ontwikkeld, zijn deze waardering en aansporing in de huidige tijd niet meer erg overtuigend. Sterker nog, de kerk ontwikkelde haar theologie in de richting van rechtvaardige vrede en geweldloos verzet, wat suggereert dat militair en christen-zijn wederom toenemend als onverenigbaar worden gezien. Zo worden Bijbelse teksten alleen gebruikt om de vreedzame en geweldloze optie te onderstrepen, maar worden Bijbelteksten die een positieve inzet van (wapen)geweld en de dienst van militairen hadden kunnen legitimeren, niet genoemd. Militaire dienst voor verdediging en veiligheid – ook buiten het eigen land – wordt toegestaan, maar dit wordt geminimaliseerd door de overweldigende nadruk op diplomatie om oorlog te voorkomen. In de protestantse kerk wordt dit iets anders gezien, al blijft militair geweld een uiterste noodzaak en is het een van de opties om tot rechtvaardige vrede te komen. Een verdere ontwikkeling van de theologie van de dienst aan het wapen, in een richting die christelijke militairen kan ondersteunen, is zeker gewenst.

Op basis van de geschiedenis is niets definitiefs te zeggen op de vraag of het christelijk geloof verenigbaar is met het militaire beroep. Foto MCD, Sjoerd Hilckmann
Wat hebben militairen van vandaag, gelovig of niet, aan dit overzicht? Immers, op basis van de geschiedenis is niets definitiefs te zeggen op de vraag of het christelijk geloof verenigbaar is met het militaire beroep. Kijkend naar de traditie is er voor het standpunt voor én tegen wat te zeggen, afhankelijk van welke auteur iemand belangrijk vindt en hoe iemand zijn eigen maatschappelijke (politiek, veiligheid) situatie interpreteert. Op basis van dit onderzoek kunnen we wel zeggen dat een militair altijd een open blik moet hebben voor de morele en ethische aspecten van zijn of haar dienst, en zich daarbij ook mag laten leiden door de gedachten van de christelijke traditie van voor en na de Reformatie. Dat dit geen vrijblijvende conclusie is bewijst wel het huidige tijdperk, waarin Europese landen zich voorbereiden op een grootschalig conflict waarin professionele en dienstplichtige militairen – en burgers – betrokken zullen zijn. Dus ook in onze seculiere samenleving wordt de vraag urgent op welke morele gronden iemand het militaire beroep kan uitoefenen, en zijn die gronden te verbinden met de doelen die de overheid met iemands inzet wil bereiken? Dat deze bezinning een oecumenische component nodig heeft, waarin ook de orthodoxe kerken in het oosten van Europa betrokken zijn, is een rauwe les van de oorlog in Oekraïne. De orthodoxie ziet zich eigenlijk als een vredeskerk,[29] maar door nationalisme verscheurd komen gewelddadige krachten naar boven. De huidige insteek van de Russisch-orthodoxe leiders (die de oorlog in Oekraïne zien als een heilige vaderlandse plicht) is daarbij, ook binnenlands, zeker niet vanzelfsprekend.[30] Dat biedt aanknopingspunten voor zo’n breed gesprek over vrede en de rol van het militair beroep.
* Dit artikel is een bewerking van de publicatie: E. Sengers en R. van Wingerden, ‘Between Sinner and Super-hero. Military Service and Christian Life From Nicaea Till Present Day’, International Journal of Philosophy and Theology 86 (2-4) (2025) 268-286.
[1] De literatuur over de theorie van de rechtvaardige oorlog is overweldigend, we wijzen hier slechts op M. Walzer, Just & Unjust Wars. A Moral Argument with Historical Illustrations (New York, Basic Books, 2015, vijfde editie); en E. Patterson, J. D. Charles en J. Ashcroft (red.), Just War and Christian Traditions (Notre Dame, University of Notre Dame Press, 2022).
[2] Zie bv. S.G. Stephen, ‘’Miles Gloriosus’. Christians and Military Service According to Tertullian’, Church History 39 (1970) (3) 285-298.
[3] Origenes, Contra Celsum (uitgegeven en vertaald door H. Chadwick) (Cambridge, Cambridge University Press, 1953) 8.65-8.75.
[4] Lactantius, Inst. 6.20.15-17 (onze vertaling van ita neque militare iusto licebit, cuius militia est ipsa iustitia). Zie ook G. Kalantzis, Caesar and the Lamb. Early Christian Attitudes on War and Military Service (Eugene, Wipf & Stock Publishers, 2012) 174-187.
[5] Gevonden in C.H. Kraeling, The Excavations at Dura-Europos. The Christian Building (Locust Valley, J. J. Augustin, 1967); D.K. Pettegrew, ‘The Christian Building at Dura-Europos. Rethinking the Archaeology of the World’s Oldest House Church’, American Journal for Archaeology 128 (2024) (3) 341-371.
[6] H. Leclercq, ‘Militarisme’, in F. Cabrol & H. Leclercq (red.), Dictionnaire d’archéologie chrétienne et de liturgie (Paris, Letouzey et Ané, 1932) 1108-1182. Meer recent: L.J. Swift, ‘War and the Christian Conscience. I. The Early Years’, in H. Temporini & W. Haase (red.), Aufstieg und Niedergang der römischen Welt. Geschichte und Kultur Roms im Spiegel der neueren Forschung (Berlin, Walter de Gruyter, 1979) 835-868, 862.
[7] R.H. Bainton, Christian Attitudes Towards War and Peace. A Historical Survey and Critical Re-evaluation (Nashville, Abingdon Press, 1960).
[8] W.M. Ramsay, The Cities and Bishoprics of Phrygia (Oxford, Clarendon Press, 1897) 717.
[9] Deze zijn geen gecodificeerde verzameling, maar zo wordt er wel naar verwezen: H. A. Musurillo, The Acts of the Christian Martyrs (Oxford, Oxford University Press, 1972). Zie ook P. Roth, Soldatenheilige (Graz, Verlag Styria, 1993).
[10] J.F. Shean, ‘Military’, in D.G. Hunter, P.J.J. van Geest en B.-J. Lietaert Peerbolte (red.), Brill Encyclopedia of Early Christianity. Authors, Texts, and Ideas. Volume IV (Leiden/Boston, Brill, 2024) 584-587; J.J. Fahey, ‘An Overview of Four Traditions on War and Peace in Christian History’, The Journal of Social Encounters 2 (2018) (1) 7-21.
[11] P. L’Huillier, The Church of the Ancient Councils. The Disciplinary Work of the First Four Ecumenical Councils (Crestwood, St Vladimir’s Seminary Press, 1996) 67-68.
[12] J.M. Maddox, Saint Augustine and the Theory of Just War (Londen/New York, Continuum, 2006).
[13] Bijvoorbeeld L. Glanville, ‘Christianity and the Right to Protect’, Studies in Christian Ethics 25 (2012) (3) 312-326.
[14] P.G. Wynn, Augustine on War and Military Service (Minneapolis, Fortress Press, 2013) 155-212.
[15] J. Bärsch, ‘‘Pax Domini‘ und ‘Depressio inimicorum‘. Skizzen zu Krieg und Frieden im Spiegel der abendländischen Liturgie in Spätantike und Mittelalter.’, in G. Beestermöller, Friedensethik im frühen Mittelalter. Theologie zwischen Kritik und Legitimation von Gewalt (Baden-Baden, Nomos, 2014) 53-84; M. Suchan, Macht verschafft sich Moral? Gewalt in der Politik der Reformpäpste (Stuttgart, Kohlhammer, 2002).
[16] G. Aerden, ‘Inleiding’, in: Tempeliers, Lofzang op een nieuwe ridderorde (Budel, Damon, 2015) 15-77, 60, 64-65; zie ook G. Aerden, Bernardus van Clairvaux. Meester in de school van de liefde (Budel, Damon, 2020), 48-54; W. Buchmüller, ‘Gedanken zu Krieg und Frieden bei den Zisterziensern des 12. Jahrhunderts’, Cistercienserchronik 119 (2012) 19-37; J. Leclercq, Bernhard von Clairvaux. Mystiker und Mann der Tat (München, Verlag neue Stadt, 2009), 61-62, 100-105.
[17] M. Dreyer, ‘‘Bellum dicitur quasi minimum bonum’. Zur sittlichen Beurteilung des Krieges bei Albertus Magnus’, in G. Beestermöller & H.-G. Justenhoven (red.), Friedensethik im späten Mittelalter. Theologie im Ringen um die gottgegebene Ordnung (Stuttgart, Kohlhammer, 1999) 10-25, 12-16.
[18] G.M. Reichberg, ‘Thomas Aquinas on battlefield martyrdom‘, in B. Koch (red.), Chivalrous combatants? The meaning of military virtue past and present (Baden-Baden, Nomos, 2020) 95-106, 95-100. Zie voor de argumentatie Thomas Aquinas, Mag je een mens doden? Teksten uit de Summa Theologiae over God, geloof en geweld (Zoetermeer, Meinema, 2008) 78-97.
[19] W. Hauser, Franciscus van Assisie (Brugge, Desclee de Brouwer, 1952) 19, 24, 31; A. Rotzetter, Franciscus van Assisi. De weg van het Evangelie (Haarlem, J.H. Gottmer, 1983) 16-19.
[20] H. Feld, Ignatius von Loyola. Gründer des Jesuitenordens (Köln, Böhlau, 2006) 7-12, 20-21; P. Caraman, Ignatius Loyola (Londen, Collins, 1990) 17-24.
[21] W. Welzig, ‘Einleitung’, in W. Welzig (red.), Erasmus von Rotterdam. Ausgewählte Schriften. Band 5 (Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1995, tweede druk) VII-XXV, VIII-XVIII; J. Huizinga, Erasmus (Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon, 1925, tweede herziende druk) 66-73, 209-211; W. Ribhegge, Erasmus von Rotterdam (Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 2010) 46-50, 84-87, 91-95.
[22] M. Luther, Ob Kriegsleute auch in seligem Stande sein können (Delitzsch, Akanthus, 2015, tweede druk); H.-J. Goertz, Thomas Müntzer. Revolutionär am Ende der Zeiten – eine Biographie (München, C.H. Beck, 2015, tweede herziene druk).
[23] ‘Pastorale constitutie Gaudium et Spes over de Kerk in de wereld van deze tijd’, in: Constituties en decreten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie (Amersfoort, Katholiek Archief, 1967) 404-494, nr. 79.
[24] De apostolische constitutie Spirituali militum curae is gepubliceerd op www.vatican.va.
[25] Gerechter Friede (Bonn, Sekretariat der Deutschen Bischofskonferenz, 2013) 107.
[26] ‘Friede diesem Haus’. Friedenswort der deutschen Bischöfe (Bonn, Sekretariat der Deutschen Bischofskonferenz, 2024) 48-53.
[27] E. Sengers, ‘The Appeal of a Radical Theology of Peace. Thomas Merton – Pacem in Terris – Pope Francis’, Asian Horizons. Dharmaram Journal of Theology 17 (3) (2023) 331-342, 337-338.
[28] Evangelische Kirche in Deutschland, Welt in Unordnung – Gerechter Friede im Blick: Evangelische Friedensethik angesichts neuer Herausforderungen (Leipzig, Evangelische Verlagsanstalt, 2025, tweede gecorrigeerde druk).
[29] Bijvoorbeeld S. Asfaw, A. Chehadeh en M. Simion (red.), Just Peace. Orthodox perspectives (Geneve, WCC publications, 2012).
[30] O. Tomyuk, ‘Militärseelsorge in Russland und die Kritik russischer Christen am Krieg‘, Dokumentation der katholischen Militärseelsorge 63 (2025) 181-198.