In het begin van dit jaar had ik het genoegen twee reünies bij te wonen van de School Reserve Officieren Cavalerie lichtingsploeg 76-1 en 76-4. Een van mijn oud-leerlingen gaf aan het ‘verbazingwekkend te vinden hoe wij met z’n allen de bestaande draad weer oppakken! Alsof de tijd heeft stilgestaan!’ Ik kon het alleen maar met hem eens zijn. Maar wat is dat dan, waardoor we de draad probleemloos weer oppakken? Is het vriendschap, broederschap, of iets anders? Dit soort begrippen wordt vaak door elkaar gebruikt alsof het synoniemen zijn. Ik wil aantonen dat deze begrippen ieder een eigen betekenis hebben en in de verste verte geen synoniemen zijn. Verder wil ik aantonen dat een derde begrip, te weten kameraadschap, veruit superieur is aan de andere begrippen.

 

Ik hanteer drie uitgangspunten: vrijwilligheid (iets doen uit eigen beweging, er is geen dwang), wederkerigheid (er is een verplichting tussen twee personen) en noodzaak (het is zo, omdat het onvermijdelijk is en dat ongeacht de omstandigheden). Als er geen noodzaak is gebruiken we vaak de term ‘contingent’; het betreft een mogelijkheid die zich kan voordoen of niet. Als we met behulp van deze uitgangspunten de zelfstandige naamwoorden vriendschap, broederschap en kameraadschap tegen het licht houden wordt duidelijk dat er inderdaad drie totaal verschillende betekenissen zijn.

 

Vriendschap

Vriendschap betreft een nauwe relatie tussen personen waarbij onderling vertrouwen een belangrijke rol vervult. Dit begrip wordt naar mijn mening gekenmerkt door vrijwilligheid en wederkerigheid. Ik sluit uit eigen beweging vriendschap met een ander. Er is geen dwang, er is geen noodzaak. Het opbloeien van een vriendschap is dus contingent. De term vriendschap geeft aan dat er altijd ander(en) moeten zijn waarmee vriendschap wordt gesloten. Hierbij is dus sprake van noodzaak: zonder de ander(en) geen vriendschap. De nauwe relatie wordt verder gekenmerkt door wederkerigheid: ik kan niet jouw vriend zijn als jij dat niet wilt. Ook hierbij is er dus noodzaak. Vriendschap vergt onderhoud. De vertrouwelijkheid vergt periodieke bevestiging. Als dat onderhoud onvoldoende plaatsvindt, kan vriendschap verwateren en uiteindelijk uitdoven. In geval van een ontsporing waarbij de vertrouwelijkheid wordt geschonden, kan een vriendschap ook worden opgezegd. 

 

Broederschap

Broederschap kent twee benaderingen, een letterlijke en een overdrachtelijke. De letterlijke betekenis betreft de familierelatie die bestaat tussen twee personen die een of twee dezelfde ouders (vader en moeder) hebben. Vrijwilligheid speelt hierbij bij geen rol; je wordt ‘geworpen’ in je familie. Veelal is er een nauwe relatie tussen broers en zusters, maar wederkerigheid is niet per se vanzelfsprekend. Wat betreft de aard van de broederband is er dus geen noodzaak! Broederschap in deze zin eindigt pas doordat de ander wegvalt. Mijn enige broer is overleden.

 

De overdrachtelijke betekenis heeft betrekking op het toetreden en/of lid worden van een genootschap, een (klooster)orde of een vergelijkbare organisatie. In de moderniteit is dat een vrijwillige keuze, althans wat betreft de aanmelding. De toelating tot het genootschap van je keuze is niet altijd vanzelfsprekend. Soms zijn er criteria voor toelating en is nader onderzoek gewenst om te onderzoeken in hoeverre een kandidaat voldoet aan deze criteria. Eenmaal lid geworden is het verder maar de vraag in hoeverre er binnen dat genootschap nauwe relaties ontstaan. Wederkerigheid is veelal formeel vereist en ook inhoudelijk/emotioneel mogelijk, maar niet noodzakelijk. Het lidmaatschap kan uiteindelijk worden opgezegd en daarmee komt formeel een einde aan deze vorm van broederschap.

 

Kortom broederschap kan tot stand komen door noodzaak (je wordt ‘geworpen’) of op basis van vrijwilligheid (je treedt toe). In geen van deze twee benaderingen is een nauwe persoonlijke relatie noodzakelijk; je kunt een familielid of lidmaat zijn zonder een band van vertrouwelijke en emotionele verbondenheid. 

 

Kameraadschap 

Kameraadschap is van een wezenlijke andere orde. Het begint veelal met het feit dat onbekenden tot elkaar zijn veroordeeld; zij zijn allen ‘geworpen’ in een voor hen vreemde situatie. Zij kunnen weliswaar vrijwillig of onvrijwillig zijn toegetreden tot een organisatie, maar hebben vaak geen idee wat ze te wachten staat. Vanuit dat perspectief kan er in praktische zin geen vrijwilligheid zijn. In een dergelijke situatie met onzekerheid en soms dwang en een pregnant of latent gevaar, zoeken ook vreemden steun bij elkaar. Het zoeken van steun te midden van wildvreemden levert de nodige spanningen op. Als dan steun wordt ontvangen geeft dat de nodige opluchting in een verder onoverzichtelijke situatie. Ook het geven van steun aan een wildvreemde levert dan veel voldoening. Te midden van de onoverzichtelijkheid en onzekerheid wordt een scherp licht geworpen op de ander(en) met wie je jouw zorgen en angsten deelt en van wie je steun ontvangt en aan wie je hulp verleent. Het ontstaan van kameraadschap is contingent. Per saldo is er geen vrijwilligheid, maar tegelijk is er wel wederkerigheid. We zijn elkaar tot steun! Kameraadschap ontstaat onder druk en tussen personen die dat niet hebben vermoed, maar die onder druk de ware, betrouwbare aard van de ander hebben ervaren. Kameraadschap wordt als het ware gesmeed. Een goed gesmede band vergt geen onderhoud, die blijft bestaan. Kameraadschap verwatert niet en kan niet worden opgezegd. Kameraadschap eindigt met de dood.

 

Er kan geen twijfel bestaan over wat wij, de reunisten van de SROC, de afgelopen 50 jaar hebben ervaren: dat is kameraadschap en daaruit vloeit ook de vanzelfsprekendheid voort. Kameraadschap is niet alleen voorbehouden aan oud-leerlingen van de SROC. Het is een militaire deugd die voor alle militairen essentieel is, ongeacht rang of stand, wapen of dienstvak, of krijgsmachtdeel.

Over de auteur(s)

Brigade-generaal b.d. dr. P.H. de Vries

Peer de Vries is gepromoveerd op een proefschrift waarin hij een model ontwikkelt voor karaktervorming binnen de krijgsmacht.

Gepubliceerd in